Conclusie A-G IJzerman 1 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1238
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over het jaar 2007, wegens eerder onverschuldigd aan belanghebbende terugbetaalde loonbelasting ad € 36.961. Niet in geschil is dat belanghebbende dit bedrag teveel heeft terug gekregen. Het geschil ziet op de vraag of de Inspecteur de terugbetaling van dit bedrag kan formaliseren door oplegging van de onderhavige naheffingsaanslag. Zo ja, dan kan de ontvanger zo nodig invorderen op basis van de genoemde naheffingsaanslag; zo nee, dan resteert, vanwege civielrechtelijke verjaring, slechts de, in casu niet te verwachten, vrijwillige betaling. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende een verzoek om teruggaaf heeft ingediend in de zin van artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de AWR. Indien een dergelijk verzoek van de kant van belanghebbende niet aanwijsbaar is, zal deze naheffingsaanslag moeten worden vernietigd. Het Hof is van oordeel dat het op 9 juli 2007 door de Belastingdienst ontvangen bericht, betrekking hebbend op periode 6 van 2007, een verzoek is in de zin van artikel 20, lid 1, tweede volzin, van de AWR. Het Hof acht het niet van belang of bedoeld bericht gericht was op teruggaaf van belasting. Het enkele feit dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan dat er ten onrechte toe heeft geleid dat teruggaaf van belasting is verleend, volstaat naar het oordeel van het Hof voor de mogelijkheid van naheffing op basis van artikel 20, lid 1, tweede volzin, van de AWR. Nu dit artikel geen verdere voorwaarden stelt dan dat er een verzoek moet zijn gedaan dat ten onrechte tot teruggaaf heeft geleid, verbindt het Hof geen consequenties aan het doen van het hiervoor genoemde verzoek vóór de afdracht van de loonheffingen. Tot slot oordeelt het Hof dat de naheffingsaanslag loonheffingen niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd. Thans komt belanghebbende in cassatie op tegen de uitspraak van het Hof, onder aanvoering van vier cassatiemiddelen. Het eerste middel van belanghebbende behelst dat belanghebbende geen verzoek om teruggaaf heeft gedaan in de zin van artikel 20, lid 1, tweede volzin, van de AWR, waaruit blijkt dat de inspecteur ook kan naheffen in het geval waarin, naar aanleiding van een van de kant van de inhoudingsplichtige gedaan verzoek, ten onrechte teruggaaf is verleend. Het Hof heeft overwogen dat niet van belang is of bedoeld bericht gericht was op teruggaaf van belasting. Die niet-intentionele interpretatie van het begrip ‘verzoek’ heeft het Hof geleid tot het oordeel dat hier voor de mogelijkheid van naheffing volstaat het enkele feit dat dit bericht/verzoek ertoe heeft geleid dat ten onrechte teruggaaf van belasting is verleend. De A-G kan zich niet verenigen met ’s Hofs niet-intentionele interpretatie van het begrip ‘verzoek’. In de opvatting van de A-G is een verzoek altijd intentioneel. Een verzoeker vraagt om iets concreets, zoals de afgifte van een vergunning of een bepaalde teruggaaf van belasting. In casu zou het zijns inziens dan moeten gaan om een bericht van belanghebbende aan de Inspecteur, gestuurd met het oogmerk om belasting terug te krijgen. Volgens de A-G heeft belanghebbende in casu geen verzoek gedaan in de door hem begrepen zin. Er is hier naar zijn mening geen verzoek aanwijsbaar dat is gericht op de terugbetaling van een bedrag aan loonheffingen. Integendeel, belanghebbende heeft door middel van de derde loonruns binnen de aangifteperiode volgens de A-G beoogd om de juiste bedragen af te dragen. Die loonruns waren derhalve niet op teruggaaf gericht. De A-G ziet in het handelen van belanghebbende ook niet een versterking van de indruk dat sprake was van een verzoek om teruggaaf. Belanghebbende heeft juist contact opgenomen met de Belastingdienst nadat terugbetalingen hadden plaatsgevonden en heeft daarbij aangegeven dat de terugbetaling van € 32.003 over periode 7 van 2007 ten onrechte is geschied. Een en ander leidt de A-G tot de gevolgtrekking dat het nageheven bedrag niet is teruggegeven naar aanleiding van een op teruggaaf gericht verzoek van belanghebbende. Het gaat hier dus om een ambtshalve gedane terugstorting. Dan is naheffing gebaseerd op artikel 20, lid 1, tweede volzin, van de AWR, niet mogelijk. Daaraan doet volgens de A-G niet af dat belanghebbende wist dat de bedragen ten onrechte zijn uitbetaald. Het eerste middel slaagt. Het tweede cassatiemiddel van belanghebbende strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat het indienen van een verzoek om teruggaaf van loonheffingen mogelijk is gedurende de aangifte- en betalingstermijn van de artikelen 10 en 19 van de AWR. De A-G is van mening dat een correctiebericht in de zin van artikel 28a van de Wet LB 1964 slechts mogelijk is nadat de aangiftetermijn is verstreken. Binnen de aangiftetermijn kan naar zijn mening slechts sprake zijn van één of meer aanvullingen op de aangifte, welke dienen ter voltooiing van de aangifteplicht. Aldus slaagt het tweede middel eveneens. In verband daarmee behoeven het derde en vierde middel geen verdere behandeling. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 10 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 19 AWR
- Artikel 20 AWR
- Artikel 28a AWR
- Artikel 29 AWR
- Artikel 33 AWR
- Artikel 63 AWR
- Artikel 65 AWR
- Artikel 67f AWR
- Artikel 31a AWR
- Artikel 35b AWR
- Artikel 35i AWR
- Artikel 28a LB
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 3:46 Awb
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:9
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:2142
- Rb. 's-Gravenhage 20 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0743
- Rb. 's-Gravenhage 6 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9964
- Rb. Leeuwarden 16 maart 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BP9840
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7172
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3840
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3847
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3849
- HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9874
- HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9883
- HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9887
- HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU6007
- HR 21 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1702
- HR 10 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5258
- HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4196
- Hof 's-Gravenhage 19 oktober 1988, ECLI:NL:GHSGR:1988:AW7411