Hof 's-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:9
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd. Volgens belanghebbende is dat ten onrechte geschied. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, waarna de inspecteur in hoger beroep is gegaan. Het Hof oordeelt dat belanghebbende een verzoek als bedoeld in artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) heeft gedaan, welk verzoek ten onrechte tot teruggaaf van belasting heeft geleid. Niet relevant is of dit verzoek was aan te merken als een correctiebericht in de zin van artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964. Een verzoek als bedoeld in artikel 20, lid 1, van de AWR (leidend tot teruggaaf van belasting) kan verder gedaan worden, terwijl nog geen betaling van belasting heeft plaatsgevonden. De onderhavige naheffingsaanslag is overigens niet in strijd met het vertrouwensbeginsel opgelegd. Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht en op juiste gronden is opgelegd. Het hoger beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl