Conclusie A-G Ettema 17 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1042

Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de periode van 8 december 2004 tot en met 6 juni 2005 aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van zendingen knoflook gedaan. De goederen zijn als ‘gedroogde groente’ aangegeven onder postonderverdeling 0712 90 90 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Als land van oorsprong is China aangegeven. Nadat de Inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat de goederen onder postonderverdeling 0703 20 00 van de GN (‘verse knoflook’) moeten worden ingedeeld, heeft hij drie uitnodigingen tot betaling (utb’s) aan belanghebbende uitgereikt. De voorliggende procedure betreft een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de nagevorderde bedragen ingevolge artikel 239 van het CDW, welk verzoek de Inspecteur heeft afgewezen. Om in aanmerking te komen voor terugbetaling of kwijtschelding ingevolge artikel 239 van het CDW moet zijn voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden: (1) er moet sprake zijn van een bijzondere situatie, (2) die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende inhouden. Belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep een groot aantal omstandigheden genoemd die naar haar mening elk een ‘bijzondere situatie’ als hiervoor bedoeld opleveren. Zowel rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) als hof Amsterdam (het Hof) hebben echter geoordeeld dat van een bijzondere situatie geen sprake is. Aan de vraag of sprake is van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid zijn beide instanties niet toegekomen. In cassatie komt belanghebbende met name op tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een bijzondere situatie. A-G Ettema oordeelt allereerst dat in een procedure inzake een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW in haar visie geen plaats is voor een beroep op het verdedigingsbeginsel. Tevens moet, anders dan belanghebbende meent, artikel 239 van het CDW naar haar mening strikt worden uitgelegd. Daarna constateert zij dat de onderhavige situatie in beginsel onder het toepassingsbereik van artikel 905, lid 1, van de UCDW valt, nu het totaalbedrag van de onderhavige utb’s een bedrag van € 500.000 overschrijdt. Uit de bewoordingen van de artikelen 899, lid 2, eerste alinea en 905, lid 1, van de UCDW en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de Hoge Raad leidt zij voor het onderhavige geval af dat de douaneautoriteiten zelfstandig – dat wil zeggen zonder tussenkomst van de Europese Commissie – moeten beoordelen of is voldaan aan de twee hiervoor genoemde cumulatieve voorwaarden. Alleen indien de douaneautoriteiten menen dat aan deze voorwaarden is voldaan, moet het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding naar de Europese Commissie worden gezonden. Belanghebbendes cassatiemiddel faalt in zoverre, aldus de A-G. Vervolgens leidt de A-G uit vaste rechtspraak van het HvJ af dat zich een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld voordoet wanneer de omstandigheden van dien aard zijn dat het niet billijk is de belastingschuldige een nadeel te berokkenen dat hij normaliter niet zou hebben ondergaan. Voorts is volgens vaste jurisprudentie het bestaan van een bijzondere situatie aangetoond wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en hij zonder de bijzondere omstandigheden het nadeel niet zou hebben ondervonden. Belanghebbende heeft een groot aantal omstandigheden aangevoerd die in haar visie elk als een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW kunnen worden beschouwd. De A-G komt tot de conclusie dat geen van de genoemde omstandigheden ‘bijzonder’ is als hiervoor bedoeld. In zoverre faalt het cassatiemiddel, aldus de A-G. De overige door belanghebbende aangevoerde grieven kunnen volgens de A-G evenmin tot cassatie leiden. Voor het overige faalt het cassatiemiddel daarom ook. Het Hof heeft naar de mening van de A-G de juiste beslissing genomen. Het oordeel is voorts voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat het cassatieberoep van belanghebbende faalt. De A-G concludeert dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken