Conclusie A-G Niessen 12 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:676
Belanghebbende, (enig) aandeelhouder van [E] B.V., die op zijn beurt 28,43% van de (certificaten van) aandelen houdt in [D] B.V. (hierna: Holding), heeft 2/3e van een onroerende zaak in eigendom. Vanaf 1 januari 2001 wordt het onverdeelde aandeel van belanghebbende in de onroerende zaak – hetgeen aan Holding wordt verhuurd – aangemerkt als een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. In een overeenkomst van 3 juli 2007 heeft [E] B.V. haar aandelenbelang in Holding aangeboden aan laatstgenoemde vennootschap, respectievelijk aan de overige aandeelhouders van deze vennootschap. De aandelenovereenkomst bevat onder meer de overweging dat de prijs van het aandelenpakket is bepaald naar de toestand per 31 december 2006, en dat met ingang van 1 januari 2007 het aandelenpakket voor rekening en risico komt van de koper(s). Op 31 augustus 2007 is de akte van levering gepasseerd. Het (voornaamste) geschil betreft de vraag op welk moment de terbeschikkingstellingsregeling (hierna: tbs-regeling) bij belanghebbende is geëindigd: per 31 december 2006 – zijnde het moment waarop ingevolge de koopovereenkomst de certificaten van aandelen voor rekening en risico van de koper worden gehouden – (standpunt belanghebbende) of per 3 juli 2007 – zijnde het moment waarop de koopovereenkomst van de aandelen tot stand is gekomen (standpunt Staatssecretaris). Het Hof heeft geoordeeld dat de tbs-regeling is geëindigd op 3 juli 2007, daar zijns inziens de in de overeenkomst opgenomen bepaling, dat het aandelenpakket in Holding per 1 januari 2007 voor rekening en risico van de koper(s) komt, slechts een element was van de prijsbepaling bij de verkoop van dit aandelenpakket. Volgens A-G Niessen eindigt de tbs-regeling op het moment waarop niet meer aan de in art. 3.92 Wet IB 2001 genoemde voorwaarden wordt voldaan. Zo eindigt de regeling indien het vermogensbestanddeel niet langer aan de B.V. ter beschikking wordt besteld. Voorts eindigt de tbs-regeling indien – bijvoorbeeld wegens vervreemding van de aandelen – geen aanmerkelijk belang meer in de betreffende B.V. wordt gehouden. De A-G merkt op dat volgens vaste rechtspraak (HR BNB 1969/7) een verkoop van aanmerkelijk-belangaandelen fiscaalrechtelijke werking heeft op het moment dat de verkoopovereenkomst perfect wordt. Volgens de A-G is een eventueel in de overeenkomst opgenomen beding van terugwerkende kracht daarbij niet van belang. Mede gelet op het pachtbeëindigingsarrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ontbinding van een aandelenovereenkomst met terugwerkende kracht geen gevolgen heeft voor het moment waarop de tbs-regeling eindigt (HR BNB 2013/158), geldt dat volgens de A-G eveneens voor de toepassing van de tbs-regeling in belanghebbendes geval. Redengevend daarvoor is zijns inziens dat – tenzij de terbeschikkingstelling van het vermogensbestanddeel tussentijds op andere gronden is beëindigd (waarvan in cassatie niet is gebleken) – het vermogensbestanddeel gedurende de periode tot aan het moment van het sluiten van de aandelenovereenkomst feitelijk aan de “verbonden” vennootschap ter beschikking was gesteld, hetgeen niet met terugwerkende kracht ongedaan kan worden gemaakt. Dit brengt volgens de A-G mee dat, anders dan belanghebbende in cassatie betoogt, de (certificaten van) aandelen (en daarmee het aanmerkelijk-belanghouderschap) niet met terugwerkende kracht zijn overgedragen per 31 december 2006, daar de onderhavige aandelenovereenkomst niet eerder perfect is geworden dan op 3 juli 2007. Dat betekent dat belanghebbendes eerste middel faalt. Daar ook belanghebbendes overige cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden, strekt de conclusie ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3323
- Hof 's-Hertogenbosch 13 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1768
- Hof Amsterdam 30 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1821
- HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW7728
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP6667
- Rb. Breda 2 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ3587
- Hof Arnhem 30 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO7631
- HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BF2227
- HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI9790
- HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8231
- Hof 's-Gravenhage 18 februari 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AV4416
- HR 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2787
- HR 12 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1975
- HR 12 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4376
- HR 25 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2785
- HR 13 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5919
- HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0698