Hof 's-Hertogenbosch 13 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1768
Belanghebbende stelde zijn aandeel in een onroerende zaak ter beschikking aan een B.V. waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (artikel 3.92 van de Wet IB 2001). Bij overeenkomst van 3 juli 2007 heeft belanghebbende zijn aandelen in de B.V. verkocht, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007. De aandelen zijn op 31 augustus 2007 geleverd. Voor het einde van de ter beschikkingstelling van een onroerende zaak is bepalend het tijdstip, waarop het aanmerkelijk belang in de vennootschap wordt vervreemd. Dit is het tijdstip waarop de obligatoire overeenkomst van koop en verkoop van het belang perfect is geworden. De in de overeenkomst van 3 juli 2007 overeengekomen terugwerkende kracht, komt fiscaal geen betekenis toe. De terbeschikkingstelling is per 3 juli 2007 beëindigd. Fiscale afrekening over de meerwaarde in de onroerende zaak bij deze beëindiging is niet in strijd met het voorzichtigheids- en realiteitsbeginsel, noch is sprake van discriminatoire behandeling in de zin van artikel 14 EVRM. Voorts is in de onderhavige zuiver binnenlandse aangelegenheid geen sprake van strijdigheid met het vrije vestigingsrecht van artikel 49 VWEU en het vrije kapitaalverkeer van artikel 63 juncto artikel 65 VWEU. Voor een afwaardering van de in opdracht van partijen vastgestelde onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak vanwege persoonlijke verplichtingen of een gedeelde eigendom, acht het Hof geen plaats.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5214
- HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5215
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 22 juni 1999, ECLI:NL:XX:1999:AV1935
- HR 12 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1975
- HR 26 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5359
- Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschappen 26 januari 1993, ECLI:NL:XX:1993:AW3645
- HR 25 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2785
- HR 13 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5919