Conclusie A-G IJzerman 31 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:361

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij wonen samen in de echtelijke woning te [Z]. De woning staat als eigendom geregistreerd op naam van de echtgenoot. Van de kant van de Heffingsambtenaar is aan de echtgenoot van belanghebbende op 29 februari 2012 voor het kalenderjaar 2012 een waardevaststellingsbeschikking ingevolge de Wet WOZ bekendgemaakt. De waarde van de woning is in die beschikking vastgesteld op € 259.000,-. Tegen deze beschikking is geen bezwaar gemaakt, noch door de echtgenoot noch door belanghebbende. Belanghebbende acht de vastgestelde waarde te hoog en wenst terzake (alsnog) in bezwaar te komen. Met het oog daarop heeft haar gemachtigde bij brief van 2 maart 2013, dus ruim een jaar na de voornoemde beschikking, de Heffingsambtenaar verzocht haar met betrekking tot de woning voor het jaar 2012 een voor bezwaar vatbare medebelanghebbendebeschikking als voorzien in artikel 28 van de Wet WOZ af te geven. Dit verzoek heeft de Heffingsambtenaar afgewezen. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank. Aldaar heeft de Heffingsambtenaar gesteld dat belanghebbende tijdig bezwaar had moeten maken tegen de aan haar echtgenoot afgegeven waardevaststellingsbeschikking en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om met toepassing van artikel 28 van de Wet WOZ voor echtgenoten een mogelijkheid te creëren om de wettelijk voorgeschreven bezwaartermijn te omzeilen. De Rechtbank heeft daarentegen geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op afgifte van de verzochte medebelanghebbendebeschikking, hetgeen betekent dat de Heffingsambtenaar niet had mogen weigeren deze beschikking af te geven. Daartegen komt het College van B&W thans op in (sprong)cassatie, onder aanvoering van twee middelen. Het tweede middel heeft als klacht dat de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard zonder expliciet te toetsen of belanghebbende in de gegeven omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt een belang te hebben bij afgifte van een WOZ-beschikking 2012 op haar eigen naam. De A-G is van mening dat het ‘belang’ waar het hier om gaat is dat degene die bezwaar of beroep instelt, door de aanwending van die fiscale rechtsmiddelen in principe in een voordeligere financiële positie kan komen. Volgens de A-G heeft de Rechtbank hier kennelijk als belang gezien dat de echtgenoot van belanghebbende en zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en beiden een deel van de ozb en waterschapsbelasting betalen. Het komt de A-G voor dat hiermee het voor belanghebbende aanwezige belang op juiste wijze is vastgesteld, zodat het tweede middel faalt. Het eerste middel behelst dat de Rechtbank het recht, meer in bijzonder artikel 28 van de Wet WOZ en artikel 26a van de AWR, heeft geschonden doordat de Rechtbank heeft beslist dat belanghebbende op grond van artikel 28 van de Wet WOZ recht heeft op een WOZ-beschikking 2012 op haar naam. Het College stelt daartoe dat belanghebbende tegen de aan haar echtgenoot op 29 februari 2012 bekend gemaakte waardevaststellingsbeschikking zelf bezwaar had kunnen maken op grond van artikel 26a, lid 2, van de AWR , nu van haar inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de aan haar echtgenoot bekend gemaakte waardevaststellingsbeschikking ziet. De A-G is het op zichzelf met het College eens dat die bezwaarmogelijkheid voor belanghebbende open heeft gestaan. Dan had zij dat bezwaar moeten indienen binnen de bezwaartermijn van zes weken na de bekendmaking, maar die termijn heeft belanghebbende, evenals haar echtgenoot, ongebruikt laten verstrijken. Het College is van mening dat belanghebbende haar enige bezwaarmogelijkheid hiermee heeft verspeeld. Dit baseert het College op de feitelijke veronderstelling dat belanghebbende binnen de bezwaartermijn na 29 februari 2012 op de hoogte is gekomen van de aan haar echtgenoot bekend gemaakte waardevaststellingsbeschikking. Echter, een dergelijke wetenschap bij haar heeft de Rechtbank volgens de A-G niet vastgesteld. Het lijkt de A-G, op basis van het procesdossier, evenmin in confesso tussen partijen. Het is volgens de A-G evenwel niet nodig voor onderzoek omtrent die eventuele wetenschap te verwijzen, omdat de wet, naar de A-G meent, op dit punt geen eis bevat. Uit de tekst van artikel 28 van de Wet WOZ en de wetsgeschiedenis daarvan volgen voor het recht hebben op een medebelanghebbendebeschikking, voor zover hier van belang, naar de mening van de A-G, slechts twee voorwaarden. De eerste is het belangvereiste. De tweede is de beperking in de tijd inhoudende dat in een verzochte medebelanghebbendebeschikking uiterlijk kan worden terug gegaan tot het begin van het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat waarin het verzoek wordt gedaan. Nadere beperkingen als bedoeld in het middel zijn er volgens de A-G niet, zodat ook het eerste middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken