Conclusie A-G Wattel 4 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1695

Beëindiging van een fiscale eenheid door ontbinding van de enige dochter; verrekening voorvoegingsverliezen van de moeder die binnen de fiscale eenheid een HIR heeft overgenomen van die dochter; toepassing van de artt. 15ae en 15ag Wet Vpb? Grammaticale en teleologische uitleg van die bepalingen; ‘ontvoegingstijdstip’; ‘beëindigd’. Feiten: De belanghebbende heeft in 2006 alle aandelen verworven in [D] BV en is met (uitsluitend) deze dochter een fiscale eenheid aangegaan. [D] BV had bij de voeging een herinvesteringsreserve (HIR) en de belanghebbende had voorvoegingsverliezen. In 2008 heeft de belanghebbende een kantoorpand gekocht en op de kostprijs de door [D] BV gevormde HIR afgeboekt. Later dat jaar is [D] BV ontbonden, waardoor een einde kwam aan de fiscale eenheid. De Inspecteur heeft belanghebbendes nihil-aangiften Vpb voor 2009 en 2010 gecorrigeerd naar belastbare bedragen ad € 68.326 omdat dat deel van de winst volgens hem – gezien art. 15ae(2) of art. 15ag Wet Vpb – op grond van art. 15ah(2)(a) jo. 15ah(4) Wet Vpb toegerekend moet worden aan [D] BV en daarom niet verrekend kan worden met belanghebbendes voorvoegingsverliezen. Volgens de Rechtbank is art. 15ae Wet Vpb niet van toepassing omdat die bepaling uitgaat van het bestaan van een fiscale eenheid, waarvan in 2009 en 2010 geen sprake was. Ook art. 15ag Wet Vpb is volgens de Rechtbank niet van toepassing omdat deze bepaling uitgaat van ‘het ontvoegingstijdstip’, dat in art. 15aa(1)(c) Wet Vpb is gedefinieerd als het tijdstip waarop een fiscale eenheid ten aanzien van een belastingplichtige eindigt anders dan door ontbinding en vereffening van een dochter. Daarvan is evenmin sprake omdat de fiscale eenheid juist wél is geëindigd door ontbinding van [D] BV. In sprongcassatie stelt de Staatssecretaris dat de parlementaire geschiedenis duidelijk toont dat de wetgever niet wilde dat een binnen de fiscale eenheid verschoven stille reserve na beëindiging van de eenheid verrekend zou worden met voorvoegingsverliezen van de overnemer van die stille reserve. Mede gezien de niet zo duidelijke tekst van de artt. 15ae en 15ag Wet Vpb had de Rechtbank doel en strekking van de regeling doorslaggevend moeten achten. Volgens A-G Wattel ziet art. 15ae Wet Vpb slechts op de situatie waarin nadat de fiscale eenheid jegens de overdrager van een activum met een stille reserve beëindigd is, nog steeds een fiscale eenheid bestaat. Met de Rechtbank meent de A-G daarom dat art. 15ae Wet Vpb niet van toepassing is, nu er in 2009 en 2010 géén fiscale eenheid bestond. Tijdens de parlementaire behandeling van onder meer art. 15ae Wet Vpb bleek dat – anders dan in de daarvóór geldende 14e standaardvoorwaarde – de situatie na beëindiging van de fiscale eenheid niet was geregeld. Om dat lek te herstellen, heeft de wetgever art. 15ag Wet Vpb toegevoegd, hetgeen bevestigt dat art. 15ae Wet Vpb die situatie niet regelt, zodat het cassatiemiddel faalt in zoverre het betoogt dat belanghebbendes geval wél onder art. 15ae Wet Vpb zou vallen. Art. 15ag Wet Vpb, dat slechts bedoeld is om het geconstateerde gat in art. 15ae Wet Vpb te stoppen, lijkt echter onbedoeld op zijn beurt ook weer lek. Doordat de wetgever de term ‘het ontvoegingstijdstip’ gebruikt, die volgens art. 15aa(1)(c) Wet Vpb ziet op beëindiging van de eenheid anders dan door ontbinding van een dochter, ziet de tekst van art. 15ag Wet Vpb niet op de situatie waarin de fiscale eenheid eindigt door liquidatie van de enige dochter. Nu echter (i) uit de parlementaire behandeling overduidelijk blijkt dat de wetgever met art. 15ag Wet Vpb het lek in art. 15ae Wet Vpb wilde dichten, (ii) die laatste bepaling duidelijk wel ziet op liquidatie van een dochtermaatschappij, en (iii) onduidelijk is waarom de wetgever de term ‘het ontvoegingstijdstip’ gebruikt in art. 15ag Wet Vpb terwijl hij in dezelfde bepaling ook de wél adequate term ‘beëindigd’ gebruikt, moet art. 15ag Wet Vpb volgens de A-G teleologisch en wetssystematisch ook toegepast worden op belanghebbendes geval van eenheidsbeëindiging door ontbinding van de enige gevoegde dochtermaatschappij. Conclusie: cassatieberoep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken