Conclusie A-G Niessen 26 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:154

Belanghebbende heeft bij de aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 een bedrag van € 4.200 ter zake van uitgaven voor levensonderhoud van zijn, op 17 juni 1982 geboren, studerende zoon in aftrek gebracht. Betreffende zoon heeft in het eerste kwartaal van 2009 een lening van de IB-groep ontvangen van € 823,41 per maand. In het tweede, derde en vierde kwartaal van 2009 heeft de zoon van belanghebbende echter geen recht meer op leningen van de IB-groep. In laatstgenoemde periode kan de zoon van belanghebbende zijn maandelijkse kosten niet uit eigen inkomsten voldoen. De zoon beschikte echter gedurende deze periode over een aanzienlijk banktegoed, welk banktegoed (deels) is opgebouwd uit op grond van voornoemde leningen ontvangen gelden. De aftrek ter zake van uitgaven voor levensonderhoud is geweigerd door de Inspecteur. Het geschil in cassatie betreft de vraag of voldaan is aan de in artikel 6.1, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) gestelde voorwaarde dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven ter zake van levensonderhoud van zijn zoon. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke invloed het spaartegoed van betreffende zoon, met een gemiddelde omvang van circa € 20.000, heeft, mede in aanmerking genomen dat dit spaartegoed (deels) is opgebouwd uit op grond van leningen ontvangen gelden van de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: de DUO). Het Hof is van oordeel dat de aanwezigheid van het spaartegoed van de zoon niet aan aftrek voor kosten van diens levensonderhoud in de weg staat. Een spaartegoed van deze omvang is, naar de mening van het Hof, niet gering te noemen maar kan toch nog als bescheiden worden gekwalificeerd, gelet op diverse feitelijke omstandigheden van het geval. Voorts meent de A-G dat het Hof met diens oordeel in wezen te kennen heeft gegeven dat naar diens inzicht sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 1955 van de Hoge Raad. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een uitkering aan iemand die over vermogen beschikt niet als een als buitengewone last aan te merken uitgave tot voorziening in diens levensonderhoud kon gelden, behalve als ‘bijzondere omstandigheden voor den ontvanger van de uitkering aantasting van het vermogen tot voorziening in zijn levensonderhoud dermate bezwaarlijk doen zijn, dat de verstrekker van de uitkering zich wel gedrongen moet voelen, deze aantasting door de uitkering te voorkomen’. Gelet op arresten van de Hoge Raad, waarin geoordeeld is dat de situatie waarin een studerende zoon zich na zijn studie in een bedrijf wil inkopen, de situatie waarin een ondersteunde zich na zijn studie mogelijk financieel zal moeten interesseren in een bedrijf teneinde een gewenste functie te verwerven en de situatie dat het vermogen bestemd is tot latere oudedagsvoorziening of als zekerheid voor bijzonder grote uitgaven niet als bijzondere omstandigheid kunnen worden aangemerkt, meent de A-G dat de wens van de zoon om een eigen bedrijf te starten niet als een bijzondere omstandigheid kan kwalificeren. Ook het verschil tussen inkomsten en uitgaven en het uitwonend zijn van de zoon kunnen, naar de mening van de A-G, niet als bijzondere omstandigheid gelden. De A-G komt om deze reden tot de conclusie dat het bij de beoordeling van de eerste klacht erop aan komt of het spaargeld - mede gelet op de aanwezige schuld - zelf vermogen vormt dat aan het in aanmerking nemen van de ondersteuning in de weg staat. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad had belanghebbende zich in ieder geval redelijkerwijs gedrongen kunnen voelen om zijn zoon te ondersteunen indien diens vermogen onder de benedengrens van de Wet werk en bijstand blijft. In de onderhavige zaak heeft het Hof het spaargeld echter mede op een andere grond buiten beschouwing gelaten, namelijk de omstandigheid dat daartegenover een schuld stond die het bedrag van het spaargeld ruim overtrof. In wezen oordeelt het Hof dat het vermogen van de zoon negatief is, zodat van vermogen op het niveau van de zojuist bedoelde bijstandsnorm geen sprake is. Naar de mening van de A-G is het echter niet juist om de studieschuld van de zoon in mindering te brengen op diens spaargeld. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk beslist dat een schuld voor de Wet werk en bijstand louter in aanmerking wordt genomen wanneer een daadwerkelijke betalingsplicht bestaat, en dat zulks ten aanzien van de studiefinancieringsschulden van een student niet het geval is, aangezien de aflossing naar draagkracht geschiedt en de betalingsplicht zodoende onder omstandigheden in het geheel niet in werking treedt. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken