Conclusie A-G IJzerman 25 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:687

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/04559 naar aanleiding van het beroep in (sprong)cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2013, nr. DOR 12/706, DOR 12/707 en DOR 12/708; niet gepubliceerd. Belanghebbende heeft krachtens eigendom, althans bezit of beperkt recht, het genot van een ziekenhuis te Z dat na de bouw gereedgekomen is in 2011. De heffingsambtenaar van het Waterschap Hollandse Delta heeft belanghebbende voor de jaren 2009, 2010 en 2011 aanslagen in de waterschapsbelastingen van het Waterschap Hollandse Delta opgelegd. In elk van de drie aanslagbiljetten zijn een aanslag in de watersysteemheffing en een aanslag in de wegenheffing vervat (beide eigenarenbelasting). De aanslagen zijn berekend naar de in de toepasselijke verordeningen opgenomen tarieven voor gebouwde onroerende zaken. In cassatie heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een ziekenhuis in aanbouw voor de heffing van waterschapsbelasting moet worden aangemerkt als gebouwde eigendom. Belanghebbende ziet een opstal in aanbouw, zoals het desbetreffende deel van het ziekenhuis, als ongebouwde eigendom. De vier cassatiemiddelen bevatten alle als klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een ziekenhuis in aanbouw voor de onderhavige heffing van waterschapsbelastingen ingevolge de Waterschapswet, moet worden aangemerkt als gebouwde eigendom. De A-G merkt op dat op grond van artikel 117 lid 1, aanhef en onder a-d, Waterschapswet ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing wordt geheven van hen die a. ingezetenen zijn; b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken (…); c. krachtens eigendom (…) het genot hebben van natuurterreinen; d. krachtens eigendom (…) het genot hebben van gebouwde onroerende zaken. De Waterschapswet maakt dus, voor zover in casu van belang, een onderscheid tussen het genot van ongebouwde en van gebouwde onroerende zaken. De heffingsmaatstaf voor ongebouwde onroerende zaken is de oppervlakte, waarbij het tarief word gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Voor gebouwde onroerende zaken geldt als heffingsmaatstaf een vast percentage van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak als bepaald op grond van de Wet WOZ. Indien een bepaalde onroerende zaak moet worden aangemerkt als gebouwde eigendom, leidt dat in de regel tot een hogere heffing dan geldt voor ongebouwd. Dat is in casu het belang van de stelling van belanghebbende dat het ziekenhuis voorzover in aanbouw zou moeten worden aangemerkt als ongebouwd. In de Nota van Toelichting op het Waterschapsbesluit wordt bij art. 6.3 Waterschapsbesluit opgemerkt dat zodra voor een onroerende zaak of een gedeelte daarvan een bouwvergunning is afgegeven en een begin is gemaakt met bouwwerkzaamheden, er geen sprake meer is van een bouwperceel, maar van een gebouwde eigendom in aanbouw, waarvoor op grond van de Wet WOZ een eigen waarderingsregel geldt. Voor de watersysteemheffing worden deze gebouwde eigendommen in aanbouw als gebouwde onroerende zaken aangemerkt, aldus de Nota van Toelichting op het Waterschapsbesluit. In zoverre sluiten de objectafbakening en het waardebegrip voor de waterschapsomslag ter zake van gebouwde onroerende zaken in hoofdlijnen aan bij die uit de Wet WOZ, als conform met die welke gelden voor de onroerendezaakbelastingen ingevolge de Gemeentewet. Op een en ander stuiten alle vier de middelen af. De Rechtbank heeft volgens de A-G het onderhavige ziekenhuis voor zover in aanbouw terecht aangemerkt als gebouwde eigendom. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken