Conclusie A-G Spronken 11 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:514
Onderzoek aan de kleding, art. 9.2 Ow. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, tegen wie ernstige bezwaren bestonden t.z.v. overtreding van de Opiumwet, zich niet alleen heeft moeten ontkleden tot aan zijn onderbroek, maar ook dat de verbalisant vervolgens door met zijn hand in die onderbroek te gaan, daaruit een etui heeft gepakt. Het oordeel van het Hof dat dat laatste onderzoek kan worden aangemerkt als onderzoek aan de kleding – en dus niet aan het lichaam – is niet zonder meer begrijpelijk. Het Hof heeft in dat verband niet meer overwogen dan dat “de vorm van het etui in de onderbroek ook uitwendig zichtbaar moet zijn geweest”. Daarbij heeft het Hof echter in het midden gelaten op welke plaats in de onderbroek dat etui zichtbaar moet zijn geweest en hoe het onderzoek met de hand in de onderbroek is verricht. Overigens is evenmin zonder meer begrijpelijk het oordeel van het Hof dat het onderzoek “niet disproportioneel is”, nu uit niets blijkt waarom dat etui niet op een minder ingrijpende manier kon worden verkregen.
De uitspraak op rechtspraak.nl