Conclusie A-G Knigge 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:471
1. Art. 50 Sr, artt. 3 en 11 Ow, uitoefening van bedrijf of beroep, medeplegen, 2. Kwalificatie. Ad. 1 De opvatting dat art. 11.3 Ow als een persoonlijk werkende strafverhogende omstandigheid i.d.z.v. art. 50 Sr moet worden aangemerkt is onjuist. De wetsgeschiedenis van art. 11.3 Ow wijst niet in de richting dat het in dit lid opgenomen beroeps- of bedrijfsmatige handelen als een uitzondering i.d.z.v. art. 50 Sr moet worden beschouwd. Opmerking verdient nog dat art. 11.3 Ow in een geval als i.c. alleen toepasselijk is indien het opzet van verdachte mede gericht is geweest op de omstandigheid dat zijn mededader in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld. Ad. 2 De in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebrachte, aan art. 11.3 Ow ontleende omstandigheid van het beroeps- of bedrijfsmatig handelen i.s.m. een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod omvat i.c. reeds dat het opzettelijk telen en/of verwerken en/of bewerken respectievelijk afleveren en/of vervoeren van hennepplanten meermalen heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft daarom ten onrechte de kwalificatie "meermalen gepleegd" toegevoegd. De HR verbetert de kwalificatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl