Conclusie A-G van Hilten 26 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:284

Deze zaak staat niet op zichzelf: dezelfde problematiek is (over een ander jaar) ook aan de orde in zaak nummer 12/05519 waarin A-G Van Hilten heden eveneens conclusie neemt. De aspecten die de zaken gemeen hebben, bespreekt de A-G in een gemeenschappelijke bijlage, die deel uitmaakt van elk van de conclusies. Belanghebbende in deze zaak heeft in maart en augustus 2010 deelgenomen aan ‘live’ pokertoernooien in andere lidstaten van de Europese Unie. Over de prijzen die hij daar heeft behaald , is in Nederland kansspelbelasting (na)geheven. Belanghebbende bestrijdt de juistheid van de hem opgelegde naheffingsaanslagen met het betoog dat de pokervariant (Texas Hold’em) die op de toernooien werd gespeeld, niet als kansspel in de zin van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: Wet KSB) is aan te merken en – subsidiair – dat heffing van kansspelbelasting over de prijzen, gewonnen met pokertoernooien in andere lidstaten, in strijd is met het vrije dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU. Alvorens in te gaan op de fiscale aspecten, beschrijft A-G Van Hilten in de bijlage aan de hand van de in elk van de hofuitspraken gegeven (niet weersproken) omschrijvingen, de in casu aan de orde zijnde pokervariant Texas Hold’em. Vervolgens wijdt zij onderdeel 3 van de bijlage aan de vraag of deze pokervariant – toegespitst op de toernooivorm waarin het spel in de onderhavige zaken werd gespeeld – een kansspel is in de zin van de Wet KSB. A-G Van Hilten betoogt dat Texas Hold’em, ook indien gespeeld in toernooivorm, in beginsel een kansspel is. Dit tenzij het tegendeel (door de belanghebbende) aannemelijk wordt gemaakt. Het komt haar voor dat het Hof - uitgaande van een juiste bewijslastverdeling in deze procedure niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat spelers in het algemeen een overwegende invloed kunnen uitoefenen op het spelresultaat, en dat het er derhalve voor moet worden gehouden dat de toernooien waaraan belanghebbende heeft deelgenomen, kansspel(toernooi)en waren. De beantwoording van de vraag of de heffing van kansspelbelasting over prijzen die Nederlandse ingezetenen in andere lidstaten hebben gewonnen, in strijd is met het Unierecht, is (mede) afhankelijk van het antwoord op de vraag of het spel een ‘casinospel’ is. Een en ander hangt samen met het verschil in maatstaf van heffing van kansspelbelasting tussen binnenlandse casinospelen en overige kansspelen. A-G Van Hilten gaat derhalve in op de vraag of Texas Hold’em valt aan te merken als casinospel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van de Wet KSB. In de Wet KSB is het begrip ‘casinospel’ niet nader omschreven. Uit de parlementaire geschiedenis meent A-G Van Hilten voor de uitlegging van het begrip aansluiting te kunnen zoeken bij de Wet op de kansspelen. Aan de hand van Beschikking Casinospelen 1996, het Spelreglement van Holland Casino en jurisprudentie van de Hoge Raad komt de A-G tot de conclusie dat Texas Hold’em, ook in toernooivorm, een casinospel is als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a, van de Wet KSB. Het komt haar voor dat deze kwalificatie niet anders is indien het desbetreffende spel niet in het binnenland wordt gespeeld. Niet in geschil is dat geen sprake is van een binnenlands (casino)spel en dat de maatstaf van heffing voor de in casu gespeelde spellen - indien deze als casinospelen moeten worden aangemerkt - verschilt van die, welke geldt voor binnenlandse casinospelen. Bij uitkering van een gelijke prijs wordt over het binnenlandse casinospel minder kansspelbelasting geheven (de casinofee omgeslagen naar alle individuele prijzen) dan het bedrag dat de in Nederland woonachtige winnaar van een buitenlands casinospel aan kansspelbelasting betaalt (namelijk over de prijs). A-G Van Hilten meent dat de heffing van kansspelbelasting van Nederlands ingezetenen over door hen met casinospelen in andere lidstaten behaalde prijzen, artikel 56 VWEU schendt: door de hogere heffing ter zake van buitenlandse (casino)spelen wordt haars inziens het vrije dienstenverkeer belemmerd, voor welke belemmering zij geen rechtvaardigingsgrond ziet. Naar zij meent kan deze schending uitsluitend worden tenietgedaan door het bepaalde in artikel 3, lid 1, onderdeel c, juncto artikel 1, lid 1, onderdeel e, van de Wet KSB buiten werking te laten. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd hetgeen het Hof - haars inziens derhalve terecht - heeft gedaan. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken