Conclusie A-G Wattel 18 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2727

Waardering onderhanden werk ex art. 3.29b Wet IB: activering van kosten plus winstopslag of van gedeelte van de overeengekomen vergoeding? Betekenis art. 3.29b Wet IB voor de toepassing van art. 10d Wet Vpb bij vóór 2007 geactiveerde rentekosten en bij rentekosten vanaf 2007. Feiten: De belanghebbende heeft onderhanden werk gefinancierd met een lening van een met haar verbonden lichaam. De daarover in 2006 en 2007 verschuldigde rente heeft zij per jaareinde geactiveerd in de post onderhanden werk. In haar aangiften vennootschapsbelasting 2006 en 2007 heeft zij een deel van de rente aangemerkt als niet aftrekbaar ex art. 10d Wet Vpb. De Inspecteur heeft die aangiften gevolgd, maar de belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt omdat volgens haar art. 10d Wet Vpb bij nader inzien niet van toepassing is op geactiveerde rente. De Rechtbank achtte art. 10d Wet Vpb op de rente 2006 niet van toepassing, althans niet in 2006, omdat die rente in dat jaar is geactiveerd en daardoor niet ten laste van de winst is gekomen. Op grond van de MvT bij het in 2007 ingevoerde art. 3.29b Wet IB concludeerde de Rechtbank dat de belanghebbende (ook) de rente 2007 kon activeren in de post onderhanden werk, zodat die rente evenmin ten laste van de winst is gekomen, althans niet in 2007, en art. 10d Wet Vpb dus ook daar toepassing miste. De Inspecteur heeft ter zake van beide jaren hoger beroep ingesteld, maar dat ter zake van 2006 weer ingetrokken. Het Hof heeft geoordeeld dat met de invoering van art. 3.29b Wet IB het onderhanden werk wordt gewaardeerd op een gedeelte van de overeengekomen vergoeding zodat de verschuldigde rente 2007 niet mag worden geactiveerd als onderdeel van het onderhanden werk maar wordt geacht over de V&W-rekening te lopen zodat art. 10d Wet Vpb er op van toepassing is. Ten aanzien van de in 2006 verschuldigd geworden en toen geactiveerde rente oordeelde het Hof dat deze niet tot uitdrukking is gekomen in de winst 2007, zodat art. 10d Wet Vpb daarvoor niet geldt. Had de wetgever het anders gewild, dan had het volgens het Hof in de rede gelegen dat hij daartoe een (overgangs)regeling zou hebben getroffen. Beide partijen in cassatie. De belanghebbende betoogt dat art. 3.29b Wet IB is geschonden doordat het Hof activering van de in 2007 verschuldigde rente als onderdeel van het onderhanden werk niet toelaatbaar heeft geacht. De Staatssecretaris betoogt in cassatie dat art. 3.29b Wet IB juncto art. 10a.2 Wet IB en/of art. 8:77 Awb is geschonden, doordat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de rente 2006 niet bij de winstbepaling 2007 tot uitdrukking komt en art. 10d Wet Vpb daarom niet geldt voor die rente. Volgens A-G Wattel wilde de wetgever met de invoering van art. 3.29b Wet IB in 2007 de commerciële jaarverslaggeving volgen waarin voortschrijdend winst wordt genomen op onderhanden werk. Anders dan de waardering op kostprijs op basis van goed koopmansgebruik eist art. 3.29b Wet IB waardering op een gedeelte van de overeengekomen vergoeding. De tekst van art. 3.29b Wet IB is duidelijk en niet in strijd met de MvT, die volgens de A-G slechts inhoudt dat de te activeren overeengekomen vergoeding normaliter de kosten en een winstopslag omvat. Art. 3.29b Wet IB is dus niet slechts een aanvulling op goed koopmansgebruik in de zin dat nog steeds kosten worden geactiveerd met als aanvulling een winstopslag: er worden geen kosten (plus winstopslag) geactiveerd, maar (verwachte) opbrengsten. Nu volgens de A-G de in 2007 verschuldigde rente rechtstreeks over de V&W-rekening loopt, wordt zij in 2007 in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst, zodat art. 10d Wet Vpb er op kan worden toegepast. Volgens de A-G mocht de belanghebbende de in 2006 verschuldigde rente op de financiering van het onderhanden werk (wél) activeren eind 2006. Activering gaat vooraf aan mogelijke toepassing van art. 10d Wet Vpb, nu zij tot gevolg heeft dat geen rente in aanmerking wordt genomen bij de winstbepaling, zodat ook geen beperking op die niet-inaanmerkingneming van toepassing kan zijn. In het jaar van realisatie wordt echter wel winst genomen en komt de in de kostprijs begrepen rente alsnog in aanmerking bij het bepalen van de winst, zodat art. 10d Wet Vpb daarop van toepassing kan zijn. Omdat de wetgever voor onderhanden werken van 2007 een realisatiejaar heeft gemaakt ter zake van ‘winsten die hun oorsprong hebben in voorgaande jaren’, ‘vervalt’ eind 2007 de activering van de rente 2006 zodat deze bij de winstbepaling in aanmerking wordt genomen en art. 10d Wet Vpb er op toegepast kan worden. Conclusie: cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond en cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond, verwijzing voor het rekenwerk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken