Hof 's-Hertogenbosch 17 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1123
Belanghebbende, een BV, is actief op het gebied van de ontwikkeling van onroerende zaken. Ter financiering daarvan heeft BV een lening afgesloten bij een verbonden lichaam, ter zake waarvan in 2006 en 2007 rente verschuldigd is. Genoemde rente is door belanghebbende in 2006 en 2007 als onderdeel van het onderhanden werk geactiveerd. In geschil is of bij het bepalen van de winst over het jaar 2007 artikel 10d van de Wet Vpb kan worden toegepast op de over 2006 en 2007 verschuldigd geworden rente. In dit verband is van belang dat met ingang van 2007 artikel 3.29b Wet IB 2001 is ingevoerd, ingevolge welk artikel de waardering van onderhanden werk wordt gesteld op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het aangenomen werk, dat is toe te rekenen aan het onderhanden werk. Het Hof oordeelt dat de in 2007 verschuldigd geworden rente niet geactiveerd wordt als onderdeel van het onderhanden werk, maar geacht wordt rechtstreeks over de winst- en verliesrekening te lopen en als zodanig te matchen met het gedeelte van het aangenomen werk dat aan het onderhanden werk dient te worden toegerekend. Op de ten laste van de winst gebrachte rente kan artikel 10d van de Wet Vpb worden toegepast. De in 2006 verschuldigd geworden rente is naar het oordeel van het Hof in 2006 noch in 2007 ten laste van de winst gekomen, zodat toepassing van artikel 10d van de Wet Vpb achterwege dient te blijven. Volgt vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl