Conclusie A-G Hammerstein 17 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2461

Wnd. A-G Hammerstein heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 14/01504 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris), alsmede het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 11 februari 2014, nrs. BK-13/00426 en BK-13/00427, ECLI:NL:GHDHA:2014:437. Belanghebbende is eigenaar van een verhuurde bovenwoning. De huurster van de bovenwoning geniet huurbescherming. De huurbescherming brengt mee dat belanghebbende de huur niet kan opzeggen, niet kan aanpassen aan marktconforme prijzen en dat de huur jaarlijks maximaal mag worden geïndexeerd met een in de Uitvoeringswet Huurprijzen woonruimte vastgesteld percentage. Met ingang van 2010 wordt de bovenwoning in box 3 op grond van art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001 juncto art. 17a UBIB in aanmerking genomen voor de WOZ-waarde, waarbij door middel van de zogenoemde leegwaarderatio rekening wordt gehouden met de lagere waarde wegens de verhuurde staat. De bovenwoning is in 2010 in aanmerking genomen voor een waarde van € 373.800. Deze procedure ziet op de vraag of de heffing van inkomstenbelasting over de bovenwoning inbreuk maakt op het eigendomsrecht van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Het Hof heeft geoordeeld dat de regelgeving op het individuele niveau van belanghebbende ertoe leidt dat niet sprake is van een “fair balance” tussen enerzijds het ongestoorde genot van eigendom en anderzijds de legitieme inbreuk daarop die het betalen van belasting met zich brengt. De berekening die belanghebbende in zijn hoger beroepschrift heeft gemaakt met betrekking tot de bovenwoning, welke berekening door de Inspecteur slechts ten aanzien van de financieringskosten is weersproken, laat volgens het Hof zien dat, zelfs indien wordt geabstraheerd van de daarin gehanteerde berekening van de hypotheeklasten/financieringskosten, elk jaar sprake is van een omvangrijk negatief rendement. Aan de stelling van de Inspecteur dat rekening moet worden gehouden met de waardesprong die zal ontstaan als de huurster de huur zal opzeggen of komt te overlijden, zodat per saldo over de jaren heen bezien sprake is van een positief rendement, is door het Hof voorbijgegaan. Volgens het Hof pakt de regeling zodanig uit dat op belanghebbende een buitensporige last wordt gelegd, zodat de regeling in strijd is met art. 1 EP. Het Hof heeft rechtsherstel geboden door bij de berekening van het in aanmerking te nemen rendement, met inachtneming van art. 5.19, lid 1,Wet IB 2001, uit te gaan van de waarde in het economische verkeer van de bovenwoning in verhuurde staat, door de rijkstaxateur per 1 januari 2010 vastgesteld op € 274.000. In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 1 EP is geschonden. Als wel sprake is van een schending van art. 1 EP, meent de Staatssecretaris dat het bieden van rechtsherstel moet worden overgelaten aan de wetgever, aangezien daarvoor diverse wegen openstaan. Volgens de A-G is de litigieuze regelgeving in overeenstemming met het nationale recht en streeft deze een legitieme doelstelling in het algemeen belang na. Waar het op aankomt is of er een redelijke verhouding bestaat tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten (fair balance). Volgens de A-G moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat belanghebbende in 2010 een negatief rendement heeft behaald met de bovenwoning. Anders dan de Staatssecretaris, ziet de A-G geen aanleiding om bij de bepaling van het jaarlijkse rendement ermee rekening te houden dat de woning in de toekomst mogelijk met winst zal worden verkocht. Evenmin acht de A-G van belang dat de huurder in de toekomst de huur zou kunnen opzeggen, vanaf welk moment de waarde van de bovenwoning zal toenemen naar vrije staat. Voorts is het volgens de A-G niet relevant dat belanghebbende de woning in verhuurde staat heeft gekocht. Uit het arrest in de zaak Hutten-Czapska van de Grand Chamber van het EHRM maakt de A-G op dat de omstandigheid dat een betrokkene niet in staat is om een redelijke winst te behalen met een verhuurde woning een omstandigheid is die moet worden meegewogen bij de beoordeling van de fair balance. Dit arrest brengt volgens de A-G niet mee dat art. 1 EP is geschonden als een verhuurder niet in staat is om een redelijke winst te behalen. De A-G meent dat in casu wel sprake is van een schending van art. 1 EP. De combinatie van de heffing van inkomstenbelasting en de huurprijswetgeving leidt ertoe dat belanghebbende structureel een negatief rendement behaalt met zijn investering. Volgens de A-G kan het de wetgever worden aangerekend dat hij bij het ontwerpen van de onderhavige regelgeving onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verhuurders als belanghebbende. Daarbij acht de A-G het van belang dat voor huurbeschermde verhuurde woningen in box 3 een bijzondere waarderingsmaatstaf geldt die meebrengt dat de gemiddelde belastingdruk op dergelijke woningen hoger is dan die voor alle andere vermogensbestanddelen in box 3. Volgens de A-G heeft het Hof terecht geoordeeld dat de onderwerpelijke regelgeving niet voldoet aan het vereiste van een fair balance. Voorts heeft het Hof volgens de A-G terecht zelf voorzien in het rechtstekort door het rendement te berekenen over de waarde in het economische verkeer van de bovenwoning. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij vijf middelen voorgesteld. Drie middelen zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat de waarde in het economische verkeer van de bovenwoning moet worden gesteld op het door de rijkstaxateur vastgestelde bedrag van € 274.000. Volgens de A-G falen deze middelen, aangezien de verschuldigde inkomstenbelasting na de vermindering door het Hof niet (meer) kan worden aangemerkt als een individuele en buitensporige last voor belanghebbende. Daarbij acht de A-G van belang dat de bovenwoning niet meer ongunstiger wordt behandeld dan andere vermogensbestanddelen in box 3. Van strijd met het discriminatieverbod van art. 26 IVBPR en art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, zoals door belanghebbende betoogd, is volgens de A-G geen sprake. Tenslotte slaagt volgens de A-G het middel dat aan de orde stelt dat het Hof heeft verzuimd om het heffingvrije vermogen en de kindertoeslag in mindering te brengen op de gecorrigeerde rendementsgrondslag. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken