Conclusie A-G Spronken 14 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2253

Redelijk vermoeden, art. 9.1 aanhef, onder b Ow. De HR stelt voorop dat het antwoord op de vraag of bepaalde f&o toereikend zijn voor de toepassing van art. 9.1 aanhef, onder b Ow in belangrijke mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daaromtrent kan derhalve in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Het Hof heeft vastgesteld dat de verbalisant met behulp van een warmtebeeldcamera kon waarnemen dat op de zolder van de woning van verdachte “een extreme warmtebron aanwezig moest zijn” en dat het deze verbalisant ambtshalve bekend was dat voor een succesvolle binnenkweek van hennepplanten een tropisch klimaat nodig is. Het Hof heeft geoordeeld dat deze f&o voldoende aanwijzingen opleverden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit a.b.i de Ow rechtvaardigden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken