Conclusie A-G Wattel 5 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2094
Bijstand; alleenstaande of gezamenlijke huishouding; criterium voor “hoofdverblijf in dezelfde woning” ex art. 3(3) WWB in geval van twee woningen Feiten: De belanghebbende ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hij had een (volgens hem LAT-)relatie met [C]. [C] en hij hadden elk een eigen woning. De belanghebbende was op maandag, dinsdag en donderdag bij [C] en [C] was in de weekends (vrijdag t/m zondag) bij de belanghebbende. B&W Zwolle hebben zijn uitkering ingetrokken en die teruggevorderd over de periode 1 september 2009 t/m 31 augustus 2011. In geschil is of de belanghebbende en [C] in die periode een gezamenlijke huishouding voerden, i.e. of zij (i) hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en (ii) voor elkaar zorgden (art. 3(3) WWB). De belanghebbende meent van niet, B&W meent van wel. De Rechtbank en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) constateerden zowel een gemeen hoofdverblijf in dezelfde woning als wederzijdse zorg en daarmee een gezamenlijke huishouding. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB staat het aanhouden van twee woningen niet in de weg aan constatering van een gezamenlijke huishouding als desondanks feitelijk wordt samengewoond doordat ‘slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken’. Cassatiemiddel belanghebbende: De CRvB heeft de term ‘gezamenlijke huishouding’ in art. 3(3) WWB verkeerd uitgelegd; [C] en hij houden geen ‘hoofdverblijf in dezelfde woning’ nu zij elk in hun eigen woning hoofdverblijf houden. Er is evenmin wederzijdse zorg, nu [C], die geen uitkering geniet, niet bijdraagt in de kosten van belanghebbendes huishouding. A-G Wattel meent dat op basis van het enkelvoud in de wettekst (“indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben”) het niet voor de hand ligt aan te nemen dat de belanghebbende, die vier dagen per week in zijn eigen woning verbleef, hetzelfde hoofdverblijf had als [C], die eveneens vier dagen per week in haar eigen woning verbleef. Zij zouden dan immers twee ‘hoofdverblijven” in verschillende ‘dezelfde woningen’ hebben. De parlementaire geschiedenis wijst evenmin in die richting, nu ook daarin, op één geval na, steeds enkelvoud gebruikt wordt en het enkelvoud van de locatie van de woning juist benadrukt wordt (“één adres”); bovendien worden LAT-relaties meermalen expliciet uitgezonderd. De CRvB heeft in het midden gelaten (i) welke ‘dezelfde woning’ het gemene hoofdverblijf van [C] en de belanghebbende huisvestte, c.q. (ii) of zij twee hoofdverblijven hadden, en (iii) of zij een LAT-relatie hadden in de zin van de parlementaire geschiedenis. Met zijn kennelijke oordeel dat ‘op zodanige wijze gebruik gemaakt werd van beide woningen dat van samenwonen gesproken moet worden’ is geen ‘hoofdverblijf in dezelfde woning’ vastgesteld. Het criterium van de CRvB ‘dat van samenwonen moet worden gesproken’ komt in de wetsgeschiedenis niet voor en de A.-G. acht het inadequaat, want overinclusive: ook in een LAT-relatie moet ‘van samenwonen gesproken worden’, getuige de T in het acronym. Nu beider hoofdverblijf zich ‘in dezelfde woning’ moet bevinden, zal de rechter die woning moeten aanwijzen, of expliciet moeten vaststellen dat beide personen twee hoofdverblijven in twee verschillende ‘dezelfde woningen’ hebben. Volgens de A.-G. kan slechts van twee ‘hoofdverblijven’ van een stel gesproken worden als zich samenwoning op twee adressen voordoet die feitelijk gelijk gesteld kan worden met het door de wetgever (wél) voorziene geval van weliswaar twee woningen maar feitelijk hoofdverblijf op één adres. Dat betekent in casu dat beide partners in beide woningen een privéleven moeten hebben dat - behalve temporeel - vergelijkbaar is met privéleven in één woning: beide partners moeten in beide woningen een nagenoeg even zware concentratie van levensbelangen onderhouden. Beide verblijven moeten immers voor beiden ‘hoofd’verblijf zijn. De A.-G. concludeert daarom dat de CRvB een verkeerde maatstaf heeft gebruikt. Hij had moeten onderzoeken in welke mate in welke woning(en) [C] en de belanghebbende hun privélevens leidden en of [C] en de belanghebbende een LAT-relatie in de zin van de parlementaire geschiedenis onderhielden. Conclusie: cassatieberoep gegrond; terugwijzen naar de feitenrechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 7 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3350
- HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:984
- CRvB 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1230
- CRvB 30 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1195
- HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2586
- CRvB 22 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6531
- HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ2085
- CRvB 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6231
- CRvB 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4984
- CRvB 19 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4836
- CRvB 20 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9198
- CRvB 23 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7924
- CRvB 3 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV1071
- HR 25 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2571
- CRvB 11 oktober 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0871