Conclusie A-G Niessen 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1754
Belanghebbende werkte tot en met 28 februari 2005 in loondienst. Vanaf 28 februari 2005 tot en met 31 december 2005 was hij als aspirant-registerloods in opleiding. Na afronding van zijn opleiding is belanghebbende op 1 januari 2006 toegetreden tot een loodsenmaatschap. Voor registerloodsen geldt de verplichting om binnen het werkgebied te wonen of te verblijven. Belanghebbende heeft daarom op 25 januari 2006 zijn woning te koop gezet en hij heeft gebruik gemaakt van dubbele huisvesting op een adres in zijn werkgebied. In 2008 heeft belanghebbende zijn oude woning verkocht en heeft hij een nieuwe woning gekocht in zijn werkgebied. In geschil is de vraag of de verhuiskosten bij overgang van een dienstbetrekking naar een eigen onderneming aftrekbaar zijn als bedrijfskosten. Niet in geschil is dat niet is voldaan aan de vereisten van het op artikel 3.17, lid 2, Wet IB 2001 berustende artikel 8 Uitv.reg. IB 2001, zodat belanghebbende niet ‘in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd’. Het Hof heeft overwogen dat het geen rechtens relevante verschillen aanwezig acht tussen de casus die ten grondslag lag aan het arrest HR BNB 1970/159 en het onderwerpelijke feitencomplex. In het genoemde arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van een notaris die voorheen in dienstbetrekking werkzaam was, en die op grond van de Wet op het Notarisambt verplicht was om te verhuizen naar zijn standplaats, dat diens verhuiskosten voortvloeiden uit de verandering van zijn levenspositie en behoorden tot zijn persoonlijk leven. Volgens de Hoge Raad waren de verhuiskosten een gevolg van de keuze van de notaris om zijn vorige beroep te verwisselen voor dat van het ambt van notaris en konden deze kosten derhalve niet in mindering worden gebracht op de winst uit onderneming. In weerwil van dit arrest oordeelde het Hof dat de verhuiskosten van belanghebbende aftrekbaar waren als bedrijfskosten. Hiertoe overwoog het Hof onder meer dat de verhuisuitgaven van belanghebbende ontegenzeggelijk een zakelijke band met de onderneming hebben en dat anno 2013 de maatschappelijke opvattingen zodanig zijn dat de verhuisuitgaven als kosten ter zake van de ondernemingsuitoefening moeten worden aangemerkt. Volgens A-G Niessen is het uitgangspunt voor de zienswijze in het arrest HR BNB 1970/159 dat de beslissing om een dienstbetrekking op te geven en een ambt of andere betrekking die ondernemerschap inhoudt te aanvaarden van persoonlijke aard is en dat de verhuizing die voortvloeit uit de aan de nieuwe betrekking verbonden verplichting om te verhuizen dat derhalve eveneens is. De A-G meent dat naar hedendaagse maatschappelijke opvattingen de verhuiskosten die worden opgeroepen door de start van een onderneming door een belastingplichtige, niet altijd – of wellicht: in de regel niet – als persoonlijke kosten kunnen worden aangemerkt. In het bijzonder is de A-G van mening dat de verhuiskosten van een startende ondernemer als zakelijk dienen te gelden indien deze kosten zijn voortgevloeid uit een verplichting voor de ondernemer om te verhuizen in het kader van zijn onderneming. Niet relevant is volgens A-G Niessen dat een persoonlijke keuze om de nieuwe betrekking te aanvaarden is voorafgegaan aan de verplichting om te verhuizen. Dat betekent immers niet dat de beslissing tot verhuizen is ingegeven door persoonlijke motieven. In het onderhavige geval was de belanghebbende gezien de op hem als registerloods toepasselijke beroepsvoorschriften verplicht om hetzij te verblijven in zijn werkgebied, dan wel aldaar te wonen. Deze verplichting liet hem de ruimte om gedurende enige tijd een schuiladres aan te houden en zodra de tijd ervoor rijp was te verhuizen naar de werkregio. Deze invulling is wellicht geheel of gedeeltelijk bepaald door motieven van persoonlijke aard, maar dat doet niet eraan af dat het geheel van de kosten van de tijdelijke dubbele huisvesting en de daarop volgende verhuizing een gevolg is van de hem door de toepasselijke beroepsvoorschriften opgelegde verplichting die pas ontstond door de totstandkoming van zijn betrekking als registerloods/ondernemer, aldus de A-G. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3124
- Rb. 's-Gravenhage 16 oktober 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1619
- HR 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0874
- Hof 's-Gravenhage 14 november 1981, ECLI:NL:GHSGR:1981:AW9277
- Hof Arnhem 28 augustus 1975, ECLI:NL:GHARN:1975:AX3444
- HR 24 juni 1970, ECLI:NL:HR:1970:AX5184
- HR 16 juni 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2908