Art. 3.17 Wet IB 2001, In aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek:
a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf:
1°. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 7750;
2°. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar;
b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,23 per kilometer;
c. tot het privévermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezitting, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b:
1º. indien die bezitting tot het privé-vermogen behoort: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het product van het op die bezitting van toepassing zijnde percentage, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, tweede zin, en de waarde van die bezitting, mits dat product positief is en voor zover dat product kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen;
2º. indien de bezittingen in privé zijn gehuurd: een gebruiksvergoeding van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd.
3. Indien een belastingplichtige uit meer dan een onderneming of werkzaamheid als bedoeld in afdeling 3.4 winst respectievelijk resultaat behaalt, worden de kosten en lasten van de posten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gezamenlijk bij één onderneming of werkzaamheid in aanmerking genomen.
4. Voor de toepassing van dit artikel, behoudens het eerste lid, onderdeel c, worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1778
- Rb. Arnhem 17 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BL2190
- Hof 's-Hertogenbosch 13 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4603
- Hof 's-Hertogenbosch 12 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1441
- Conclusie A-G Wattel 14 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:695
- Conclusie A-G OVERGAAUW 29 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BB3475
- Hof Den Haag 17 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:661
- Hof Den Haag 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3124
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1752
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5093
- Rb. Zeeland-West-Brabant 16 mei 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3379
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 maart 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:1981
- Rb. Zeeland-West-Brabant 8 april 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:3012
- Rb. Zeeland-West-Brabant 8 april 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:3010
- Rb. Noord-Nederland 3 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2519
- Rb. Noord-Holland 30 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3503
- Rb. Noord-Holland 7 juni 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4919
- Rb. Leeuwarden 6 december 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BP7703
- Rb. Haarlem 3 juni 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BD3044
- Rb. Haarlem 18 september 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4455