Conclusie A-G WATTEL 19 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA0827
Conclusie PG: Is op de belanghebbende het Rijnvarendenverdrag van toepassing en daardoor niet Vo. (EEG) 1408/71, zodat de daarop gebaseerde E 101-verklaring die hij van de Luxemburgse autoriteiten verkreeg betekenisloos is? Is het voor de kwalificatie 'rijnvarende' vereiste certificaat voor het schip afgegeven? Wordt het schip 'in de rijnvaart gebruikt'? Waar is de exploitant gevestigd? Wordt de belanghebbende ten onrechte regularisatie-overleg met Luxemburg onthouden? Feiten: De belanghebbende woonde in Nederland en was in dienst bij een in Luxemburg gevestigd bedrijf dat personeel ter beschikking stelt aan de binnenscheepvaart. Hij werkte op een schip van een in Nederland gevestigd bedrijf. Voor dat schip is een Rijnvaartverklaring afgegeven. Het voer mede op de Rijn. De Luxemburgse autoriteiten hebben aan de belanghebbende op zijn verzoek een E 101-verklaring afgegeven inzake sociale verzekering in Luxemburg. Hij heeft in Luxemburg ook premies betaald en vraagt nu in Nederland vrijstelling. De Inspecteur heeft die geweigerd omdat zijns inziens het Rijnvarendenverdrag (RV) met voorrang boven Vo. (EEG) 1408/71 Nederland aanwees als verzekeringsstaat. Geschil: is de belanghebbende in Luxemburg of in Nederland verzekerd? Is hij een "rijnvarende"? Zo ja, waar is dan de exploitant van het schip gevestigd? Is het gelijkheidsbeginsel geschonden? Rechtbank en Hof hebben de Inspecteur in het gelijk gesteld. In cassatie: de belanghebbende klaagt principaal dat hij ten onrechte als rijnvarende is aangemerkt. Voorwaardelijk incidenteel klaagt de Staatssecretaris dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat het vereiste certificaat voor het schip is afgegeven. A-G Wattel: Voor de kwalificatie "rijnvarende" in de zin van art. 1(m) Rijnvarendenverdrag (RV) is onder meer vereist dat het schip gebruikt wordt in de Rijnvaart en dat er een nautisch-technisch certificaat voor is afgegeven ex art. 22 Herziene Rijnvaartakte (HRA). Hoewel art. 1(m) RV aldus verwijst naar (de verklaring ex art. 22 van) de HRA, hebben de Rijnoeverstaten met de HRA geen sociale-zekerheidsonderwerpen willen regelen. Wat de HRA onder de 'Rijn' verstaat, is daarom niet beslissend voor wat 'Rijn' in 'rijnvarende' in het RV betekent. In HR BNB 2012/56 - over de toepassing van het RV - zocht de Hoge Raad voor de betekenis van "voor de Rijnvaart gebruikt" dan ook geen aansluiting bij de HRA. In casu staat vast dat het schip waarop de belanghebbende werkte in 2007 mede op de Rijn heeft gevaren. Gezien HR BNB 2012/56 is dan van "rijnvaart" in de zin van het RV sprake. Dan het vereiste van een art. 22 HRA-verklaring voor het schip. Het Hof heeft niet aannemelijk geoordeeld dat een art. 22 HRA-verklaring is afgegeven, maar wél dat een "Certificaat van Onderzoek ROSR" is afgegeven. Bestreden wordt 's Hofs oordeel dat dat ROSR-certificaat gelijk gesteld kan worden met een art. 22 HRA-verklaring. Die bestrijding treft in zoverre doel dat het Hof volgens de AG inderdaad ten onrechte dat certificaat 'gelijk stelt' met een art. 22 HRA-verklaring, nu dat certificaat volgens hem een art. 22 HRA-verklaring is. Dat helpt de belanghebbende echter niet: dat het Hof abusievelijk iets aan zichzelf gelijk stelt, is rechtskundig niet onjuist, en er is voldoende feitelijke basis voor het oordeel dat een art. 22 HRA-achtige verklaring is afgegeven. De belanghebbende is dus 'rijnvarende' in de zin van het RV, waarmee dat verdrag op hem van toepassing is en ingevolge art. 7 Vo. 1408/71 vóórgaat op die Verordening. Dan resteert of voldoende gemotiveerd is 's Hofs oordeel dat de exploitant van het schip in Nederland is gevestigd, met name dat de eigenaar en de exploitant dezelfde rechtspersoon zijn. De AG meent dat het Hof uit de vaststaande feiten, met name uit de jaarverslagen en uit een Luxemburgs rechterlijk vonnis zonder motiveringsgebrek heeft kunnen afleiden dat de exploitant dezelfde is als de eigenaar en dus in Nederland gevestigd is. De Staatssecretaris heeft dan geen belang bij behandeling van diens incidentele cassatieberoep. Conclusie: principaal cassatieberoep ongegrond; incidenteel cassatieberoep buiten behandeling laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 11 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 13 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 72 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 81 RO
- Artikel 5 WVB
- Artikel 1 Besluit ROSR
- Artikel 57 Wfsv
- Artikel 63 Wfsv
- Artikel 35 Invoeringswet Binnenvaartwet
- Artikel 50 Binnenvaartbesluit
- Artikel 1.6 Binnenvaartregeling
- Artikel 1.19 Binnenvaartregeling
- Artikel 4 VWEU
- Artikel 351 VWEU
- Artikel 7 Akte van Mannheim
- Artikel 1* Akte van Mannheim
- Artikel 2* Akte van Mannheim