Conclusie A-G Vellinga 12 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BV3004
Beklag, beslag, art. 552a Sv. Art. 88 Wet beroep in de individuele gezondheidszorg, art. 2:5 Awb, art. 96a.1 en 3, art. 98.1, art. 126nf en art. 218 Sv. Afgeleid verschoningsrecht Inspectie voor de Gezondheidzorg (IGZ). Casus: OM vordert bij de IGZ de uitlevering ter inbeslagneming van het met het oog op de tuchtklacht jegens klager gevormde dossier. De IGZ heeft het gevorderde dossier aan het OM verstrekt met beperking van de bijbehorende medische dossiers tot de dossiers van de 32 patiënten die daarvoor toestemming hadden gegeven. 1. Het door de IGZ zonder de klager te raadplegen beslissen om geen beroep te doen op het haar toekomende afgeleide verschoningsrecht. 2. Stukken die onder het afgeleide verschoningsrecht vallen? 3. Nemo tenetur. Ad. 1. Het oordeel van de Rb dat de IGZ een afgeleid verschoningsrecht heeft op stukken die medische informatie bevatten van patiënten van de klager is, mede in aanmerking genomen dat de IGZ geen beroep uitoefent op het gebied van de individuele gezondheidszorg en dus niet uit dien hoofde over een zelfstandig verschoningsrecht beschikt, juist. De Rb heeft echter miskend dat de aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning meebrengt dat het oordeel omtrent de vraag of gegevens die behoren tot medische dossiers object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid (vgl. HR NJ 1994/552). Ad 2. Het kennelijke oordeel van de Rb dat het verslag van het inspectiebezoek en de verslagen van gesprekken tussen de klager en de inspecteur niet behoren tot de stukken die medische informatie van patiënten van de klager bevatten en derhalve niet onder het aan de klager ontleende verschoningsrecht vallen is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. De klacht dat een aan de IGZ gedane melding van de Nederlandse Vereniging van Plastische Chirurgen onder het aan de klager ontleende verschoningsrecht valt, faalt, nu de klager geen beroep kan doen op een mogelijk aan andere medische beroepsbeoefenaren of instanties toekomend verschoningsrecht. De rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen moet, indien en voor zover klager zich t.a.v. (de inhoud van) inbeslaggenomen stukken op zijn verschoningsrecht beroept, beoordelen of zich het in HR LJN BP6141 bedoelde zeer uitzonderlijke geval voordoet waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, ook t.a.v. datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd, moet prevaleren boven het verschoningsrecht. 3. Nemo tenetur-beginsel. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL2823 m.b.t. het karakter van het onderzoek in raadkamer. Daaruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich wel kan uitstrekken tot vragen m.b.t. de rechtmatigheid van het beslag zelf, doch niet tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door inbeslagneming is verkregen. De vragen m.b.t. het nemo tenetur-beginsel houden verband met de vraag of verdachte gehouden was de verzochte gegevens aan de IGZ te verstrekken en daarmee met de vraag of die gegevens tot bewijs kunnen strekken. De rechter, naar wie de zaak wordt verwezen, zal zich dan ook geen oordeel kunnen aanmeten over de vraag of het nemo tenetur-beginsel is geschonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl