Conclusie A-G IJzerman 19 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:929

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/04979 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 oktober 2012, nr. BK-11/00690 (niet gepubliceerd). Dit is de eerste zaak waarin de Hoge Raad zal oordelen over het kenbaarheidsvereiste bij toepassing van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende op grond van dat artikel een navorderingsaanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van additioneel te betalen € 23. In casu is in geschil of het voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat de Heffingsambtenaar ten gevolge van een fout minder rioolheffing heeft geheven dan de Verordening voorschrijft. Daarnaast is naar aanleiding van de wetsgeschiedenis in geschil of ook in absolute zin geringe bedragen op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR kunnen worden nagevorderd. Het materieel verschuldigde bedrag staat niet ter discussie. De A-G zet uiteen dat voor navordering de hoofdregel is dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag te laag is vastgesteld, de heffingsambtenaar de te weinig geheven belasting kan navorderen. Hierop bestaat de uitzondering dat een feit dat dat de heffingsambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn geen grond voor navordering kan opleveren; de heffingsambtenaar heeft een ‘nieuw feit’ nodig, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige te kwader trouw was. Op de eis van een nieuw feit is door de Hoge Raad een beperking aangebracht in de schrijf- en tikfoutenjurisprudentie. Uit die jurisprudentie volgt dat voor navordering geen nieuw feit vereist is indien als gevolg van een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen vergissing de aanslag zonder enige denkbare reden (veel) te laag is vastgesteld. Alsdan is voorwaarde voor het toch kunnen navorderen ofschoon er geen nieuw feit is dat het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt. De schrijf- en tikfoutenjurisprudentie is gecodificeerd in artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. De belangrijkste uitbreidingen die de nieuwe bepaling geeft aan de mogelijkheden om na te vorderen zijn volgens de A-G gelegen in het feit dat het begrip ‘fout’ meer omvat dan de vergissingen die op grond van de schrijf- en tikfoutenjurisprudentie aanleiding konden zijn voor navordering en in het niet weerlegbare bewijsvermoeden, de 30%-regel. In de onderhavige procedure gaat het slechts om de vraag of is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat ‘[d]e belastingplichtige als het ware in één oogopslag [moet] (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag of een beschikking om geen aanslag op te leggen, niet juist is.’ De fout moet dadelijk te zien zijn bij het kennisnemen van de aanslag, de fout moet aldus ‘direct kenbaar’ zijn. De staatssecretaris heeft in dat kader opgemerkt dat ‘[v]an een belastingplichtige [niet] wordt (…) gevraagd om te beoordelen of zijn belastingaanslag juist is. Van de belastingplichtige wordt wel verwacht dat hij direct kan zien dat de belastingaanslag afwijkt van de door hem ingediende aangifte, althans indien die afwijking significant is. De A-G begrijpt het onderscheid tussen ‘beoordelen’ en ‘kunnen zien’ aldus dat van een belastingplichtige niet wordt gevraagd om de juistheid van de aanslag meer dan oppervlakkig te toetsen. Uit de schrijf- en tikfoutenjurisprudentie blijkt dat eerdere communicatie ertoe kan leiden dat het voor de belanghebbende duidelijk moet zijn geweest dat de vaststelling de aanslag berustte op een met een schrijf- of tikfout gelijk te stellen vergissing. Dat lijkt de A-G nog steeds geldend recht. Volgens de A-G heeft hetzelfde te gelden voor informatie die op of bij het aanslagbiljet wordt gegeven; een andere opvatting zou immers ten onrechte leiden tot bescherming van diegenen die stellen geen fiscale kennis te hebben terwijl zij die kennis binnen handbereik hebben in de vorm van een bij het aanslagbiljet gevoegde toelichting. De A-G meent dat ook de mate van ingewikkeldheid van een bepaalde regeling een rol kan spelen bij de beoordeling van kenbaarheid van een fout. Uit de Verordening en de Tarieventabel 2010, die op regelmatige wijze bekend zijn gemaakt, volgen slechts drie uit vaste bedragen bestaande tarieven. Reeds bij oppervlakkige toetsing van de gegevens op het aanslagbiljet aan de Verordening en Tarieventabel 2010 blijkt dat bij de aanslagregeling een fout moet zijn gemaakt. Het Hof heeft geoordeeld dat ‘[b]elanghebbende (…) bij kennisneming van zijn aanslagbiljet en de daarbij gevoegde bijsluiter redelijkerwijs [heeft] kunnen zien dat een fout is gemaakt’. Nu het bedrag van de aanslag € 23 lager was dan het in de bijsluiter genoemde tarief had belanghebbende volgens het Hof ‘vervolgens kunnen vaststellen welk tarief het juiste is door de in de bijsluiter vermelde website www.svhw.nl te raadplegen’. Het komt de A-G voor dat aan de verwijzing naar de website aanvullende waarde toekomt. Althans voorzover het aldus mogelijk wordt de juiste tarieven eenvoudig op te zoeken. Maar wellicht is al beslissend dat de bijsluiter bij de aanslag de juiste bedragen vermeldt. Daarop stuit het eerste middel af. Met het tweede middel werpt belanghebbende de vraag op of de opmerking in de memorie van toelichting, dat ‘[h]et (…) niet de bedoeling [is] om op grote schaal in absolute zin geringe bedragen na te vorderen’ eraan in de weg staat dat de heffingsambtenaar geringe bedragen navordert. Het Hof heeft naar de mening van de A-G terecht geoordeeld dat de uitlating van de staatssecretaris is gedaan in de hoedanigheid van medewetgever. Het lijkt de A-G duidelijk dat grammaticale interpretatie van de wettekst niet leidt tot de door belanghebbende voorgestane beperking. De geciteerde opmerking van de staatssecretaris acht de A-G onvoldoende om de duidelijke wettekst opzij te zetten. De A-G merkt op dat de uitlating van de staatssecretaris bovendien ruimte laat om in incidentele gevallen toch geringe bedragen na te vorderen; het komt de A-G voor dat het bij het in die uitlatingen geformuleerde doel van de regeling past om na te vorderen als één fout in meerdere individuele gevallen een gering verschil veroorzaakt, maar collectief een absoluut niet-gering bedrag aan gemiste belastingopbrengsten veroorzaakt. Dit doet zich in casu blijkbaar voor. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken