Conclusie A-G Wattel 27 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:832
Koppelingswet; AKW-uitsluiting van alleenstaande ouder zonder geldige verblijfstitel met afhankelijk kind dat EU-burger is. Gerechtvaardigd onder (i) intern recht; (ii) volkenrecht; (iii) EU-recht? Implicaties HvJEU-arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi (“la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”); Handvest van de Grondrechten van de EU. Feiten: De belanghebbende heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij woont in Nederland met te haren laste haar drie minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit heeft. De SVB heeft haar aanvraag om kinderbijslag afgewezen omdat zij geen kwalificerende verblijfstitel ex de Vreemdelingenwet 2000 bezit. Geschil: de belanghebbende acht die afwijzing in strijd met nationaal recht, internationaal recht (EHRM, ESH, IVBPR, IVRK en IVESCR), en EU-recht. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Na indiening van haar hogere beroep wees het HvJEU de arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi. De CRvB heeft de partijen in de gelegenheid gesteld daar op te reageren. Hij heeft vervolgens op grond van HR BNB 2013/31 belanghebbendes hogere beroep ongegrond geacht ter zake van het beroep op nationaal en volkenrecht, maar gegrond verklaard ter zake van het beroep op EU-recht, en de SVB opgedragen opnieuw te beschikken na onderzoek naar de vraag of de weigering van kinderbijslag op grond van het ontbreken van een geldige verblijfstitel er toe zou hebben geleid dat belanghebbendes kinderen het genot van de essentie van hun EU-burgerschap ontzegd zou zijn. Beide partijen hebben cassatie ingesteld. Cassatiemiddel belanghebbende: weigering van kinderbijslag is wel degelijk in strijd met nationaal en internationaal recht en HR BNB 2013/31 ging niet over vreemdelingen met kinderen die EU-burger zijn. Het Unieburgerschap van haar kinderen geeft haar voorts recht op kinderbijslag omdat weigering ertoe leidt dat haar kinderen het effectieve genot van hun Unieburgerrechten wordt ontzegd doordat zij riskeren EU-territoir te moeten verlaten. Cassatiemiddel SVB: De CRvB heeft ten onrechte geoordeeld dat uit EU-jurisprudentie rechtstreeks een verblijfsrecht voor de belanghebbende volgt (dat voorwaarde is voor kinderbijslag). Alleen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan beslissen of de belanghebbende een verblijfsrecht heeft. Overigens leidt weigering van kinderbijslag er niet toe dat belanghebbendes kinderen feitelijk gedwongen waren het Uniegrondgebied te verlaten. A-G Wattel meent met de belanghebbende en de CRvB dat de SVB niet kan volstaan met verwijzing naar het ontbreken van verblijfsrechtvaststelling door de IND en het systeem van de Koppelingswet. Hij meent echter ook, anders dan de CRvB, dat de vastgestelde feiten ter zake van de oudste twee kinderen geen andere conclusie toelaten dan dat het ontbreken van een geldige verblijfstitel van de belanghebbende in de periode 2007-2009 niet heeft geleid of leidt tot ontneming van de essentie van de EU-burgerschapsrechten aan die twee kinderen. Daardoor staat ook zonder feitelijk onderzoek vast dat ten aanzien van hen niet is voldaan aan het Dereçi-criterium, waardoor het Unieburgerschap van die twee kinderen de belanghebbende haar geen verblijfsrecht en daarmee ook geen AKW-verzekering kan opleveren. Nu ook geen EU-Richtlijn of verkeersvrijheid van toepassing is, valt de zaak ter zake van de oudste twee kinderen niet binnen de werkingssfeer van het EU-recht, zodat ook het EU-Handvest niet van toepassing is. Anders ligt dat volgens de A-G voor het jongste kind. Met de CRvB is de A-G van oordeel dat feitelijk onderzoek moet plaatsvinden naar de redenen waarom dat kind het grondgebied van de EU met de belanghebbende verliet toen zij voor een jaar terugkeerde naar Suriname, met name of de belanghebbende door maatregelen van de Nederlandse autoriteiten daartoe werd genoopt. Ter zake van belanghebbendes klachten dat art. 6(2) AKW en onder meer de discriminatieverboden in het EVRM, het ESH, het IVBPR en het IVESCR worden geschonden als geen kinderbijslag wordt toegekend, meent de A-G met de CRvB dat deze falen op de gronden vermeld in HR BNB 2013/31, óók in een geval, zoals hier, waarin het kind de Nederlandse nationaliteit heeft. Nu hoe dan ook feitelijk onderzoek gedaan moet worden naar de Unieburgerlijke situatie van het jongste kind en belanghebbendes daarvan afgeleide positie onder EU-recht in de litigieuze periode, en de SVB hoe dan ook een nieuwe beschikking moet nemen, is het niet mogelijk, anders dan in de zaken met rolnrs 13/00407 en 13/00409 waarin de A-G eveneens concludeert, om proceseconomisch de zaak zelf af te doen. Dit zo zijnde, waren zijns inziens beide cassatieberoepen ongeclausuleerd te verwerpen, zodat de ‘verwijzingsopdracht’ van de CRvB aan de SVB om belanghebbendes positie in volle omvang in het licht van het Dereçi-criterium te bezien in stand blijft. Conclusie: beide cassatieberoepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 21 Berw
- Artikel 2 WKB
- Artikel 3 AKW
- Artikel 6 AKW
- Artikel 7 AKW
- Artikel 5 AWBZ
- Artikel 1:404 BW1
- Artikel 8:86 Awb
- Artikel 1 VW
- Artikel 8 VW
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 26 BUPO
- Artikel 17 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 13 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 4 VWEU
- Artikel 20 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 9 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:725
- HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6888
- ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3348
- ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3350
- CRvB 17 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6418
- HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740
- ABRvS 5 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9530
- HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
- ABRvS 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7789
- CRvB, ECLI:NL:CRVB:2006:BY3868