Conclusie A-G Wattel 27 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:829
Koppelingswet; AKW-uitsluiting van alleenstaande ouder zonder geldige verblijfstitel met afhankelijk kind dat EU-burger is. Gerechtvaardigd onder (i) intern recht; (ii) volkenrecht; (iii) EU-recht? Implicaties HvJEU-arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi (“la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”); Handvest van de Grondrechten van de EU. Feiten: De belanghebbende heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij woont in Nederland met te haren laste haar minderjarige zoon die de Nederlandse nationaliteit heeft. De SVB heeft haar aanvraag om kinderbijslag afgewezen omdat zij geen kwalificerende verblijfstitel ex de Vreemdelingenwet 2000 bezit Geschil: de belanghebbende acht die afwijzing in strijd met nationaal recht, internationaal recht (EHRM, ESH, IVBPR, IVRK en IVESCR), en EU-recht. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Na indiening van haar hogere beroep wees het HvJEU de arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi. De CRvB heeft de partijen in de gelegenheid gesteld daar op te reageren. Hij heeft vervolgens op grond van HR BNB 2013/31 belanghebbendes hogere beroep op nationaal en volkenrecht ongegrond geoordeeld, maar haar hogere beroep op EU-recht gegrond verklaard, en de SVB opgedragen opnieuw te beschikken na onderzoek naar de vraag of de weigering van kinderbijslag op grond van het ontbreken van een geldige verblijfstitel er toe zou hebben geleid dat belanghebbendes zoon het genot van de essentie van diens EU-burgerschap ontzegd zou zijn. Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld. Cassatiemiddel belanghebbende: weigering van kinderbijslag is wel degelijk in strijd met nationaal en internationaal recht en HR BNB 2013/31 ging niet over vreemdelingen met kinderen die EU-burger zijn. Het Unieburgerschap van haar zoon geeft haar voorts recht op kinderbijslag omdat weigering ertoe leidt dat haar zoon het effectieve genot van zijn Unieburgerrechten wordt ontzegd doordat haar zoon riskeert EU-territoir te moeten verlaten en/of beneden de armoedegrens te moeten leven. Cassatiemiddel SVB: De CRvB heeft ten onrechte geoordeeld dat uit EU-jurisprudentie rechtstreeks een verblijfsrecht voor de belanghebbende volgt (dat voorwaarde is voor kinderbijslag). Alleen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan beslissen of de belanghebbende een verblijfsrecht heeft. Overigens leidt weigering van kinderbijslag er niet toe dat belanghebbendes zoon feitelijk gedwongen was het Uniegrondgebied te verlaten. A-G Wattel meent met de belanghebbende en de CRvB dat de SVB niet kan volstaan met verwijzing naar het ontbreken van verblijfsrechtvaststelling door de IND en het systeem van de Koppelingswet. Hij meent echter ook, anders dan de CRvB, dat de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat het ontbreken van een geldige verblijfstitel van de belanghebbende in de periode 2008-2009 niet heeft geleid of leidt tot ontneming van de essentie van de EU-burgerschapsrechten aan belanghebbendes zoon. Daardoor staat ook zonder feitelijk onderzoek vast dat niet is voldaan aan het Dereçi-criterium, waardoor het Unieburgerschap van belanghebbendes zoon haar geen verblijfsrecht en daarmee ook geen AKW-verzekering kan opleveren. Nu ook geen EU-Richtlijn of verkeersvrijheid van toepassing is, valt belanghebbendes zaak niet binnen de werkingssfeer van het EU-recht, zodat ook het EU-Handvest niet van toepassing is. De A-G meent voorts met de CRvB dat belanghebbendes klachten dat art. 6(2) AKW en onder meer de discriminatieverboden in het EVRM, het ESH, het IVBPR en het IVESCR worden geschonden als geen kinderbijslag wordt toegekend, falen op de gronden vermeld in HR BNB 2013/31, óók in een geval, zoals hier, waarin het kind de Nederlandse nationaliteit heeft. Conclusie: cassatieberoep belanghebbende ongegrond; cassatieberoep SVB deels gegrond; zelf afdoen door vernietiging van de CRvB-uitspraak en bevestiging van de Rechtbank-uitspraak onder aanvulling van gronden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 94 Gw
- Artikel 21 Berw
- Artikel 2 WKB
- Artikel 3 AKW
- Artikel 6 AKW
- Artikel 7 AKW
- Artikel 11 AKW
- Artikel 1:404 BW1
- Artikel 8:86 Awb
- Artikel 1 VW
- Artikel 8 VW
- Artikel 9 VW
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 16 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 17 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 4 VWEU
- Artikel 20 VWEU
- Artikel 21 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 9 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:725
- HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6888
- ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3348
- ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3350
- CRvB 17 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173
- HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740
- Rb. Haarlem 1 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BY6310
- Rb. Haarlem 18 september 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0367
- ABRvS 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7789
- CRvB, ECLI:NL:CRVB:2006:BY3868