Conclusie A-G Niessen 10 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:767

A Holdings B.V. (hierna: A) heeft in juni 2007 op het in die maand aan belanghebbende uitbetaalde bedrag aan gereserveerde winstbonussen van € 365.769: loonheffing ingehouden. Belanghebbendes bezwaar tegen de inhouding is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Belanghebbendes beroep is gegrond verklaard door de rechtbank . Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en belanghebbendes beroep bij de Rechtbank ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door A in juni 2007 uitbetaalde bonussen op enig eerder moment reeds genoten waren. Het eerste middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat het te reserveren gedeelte van de bonus ook na goedkeuring van de jaarrekening door de AvA niet ter beschikking stond van belanghebbende. Met dit middel doet belanghebbende een beroep op onderdeel a van artikel 13a, lid 1, Wet LB, dat ziet op baten die nog niet vorderbaar en inbaar zijn, maar over welke belanghebbende wel kon beschikken als waren zij zijn of haar eigen bezit geworden. Een dergelijk geval doet zich voor in situaties als aan de orde in Hoge Raad BNB 1996/94 waarin een werknemer directeur werd van een pensioenstichting die zijn eigen pensioen beheerde. Vanwege zijn bestuursbevoegdheid kon hij de pensioengelden immers zonder dat deze vorderbaar waren, naar eigen believen aanwenden. Nu belanghebbende in het onderhavige geval geen doorslaggevende stem heeft gehad in het bestuur van A, laat zich geen beschikkingsmacht van belanghebbende denken zonder dat de gereserveerde bonussen op enig moment vorderbaar en inbaar waren. Bij gebrek aan een duidelijke overeenkomst dient belanghebbende aannemelijk te maken dat er inderdaad een contractueel afdwingbaar recht op de gereserveerde bonussen bestond. De naam van de reserveringen, belanghebbendes aangiftegedrag en het aangiftegedrag van A , duiden op vorderbaarheid bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd. De verklaringen van belanghebbende en de getuigen duiden daarentegen op mogelijke vorderbaarheid op een eerder moment, maar het Hof heeft die verklaringen onvoldoende geacht. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het eerste en tweede middel kunnen daarom niet tot cassatie leiden. Het derde middel komt op tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet heeft kunnen beschikken over de gereserveerde bonussen. Belanghebbende voert aan dat zij met het sluiten van een overeenkomst op 27 april 2000 een beschikkingshandeling heeft verricht. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat belanghebbende met haar werkgever eerder al impliciet overeen was gekomen dat de gereserveerde bonussen pas bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd opeisbaar zouden zijn. Daarmee zijn de gereserveerde bedragen nooit tussentijds vorderbaar en geweest voor belanghebbende en heeft er dus ook geen beschikkingshandeling kunnen plaatsvinden. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. Het vierde middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat er geen sprake is geweest van een loonbetalingsverplichting die is omgezet in een rentedragende schuld. Van rentedragend worden in de zin van art. 13a Wet LB is sprake als het recht op het loon is omgezet in een rentedragende lening of andersoortige vordering en daarbij reëel onder de beschikkingsmacht van de rechthebbende op het loon is gekomen. Onder rentedragend worden is niet begrepen het verschuldigd worden van moratoire interesten of renten die anderszins samenhangen met uitstel van betaling. Om te kunnen spreken van beschikkingsmacht van belanghebbende zou aannemelijk moeten zijn dat zij met A was overeengekomen dat een voor haar vorderbaar bedrag niet langer opeisbaar maar wel rentedragend was. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat bij gebrek aan een duidelijke overeenkomst belanghebbende aannemelijk dient te maken dat zulks inderdaad overeengekomen is. Het bewijs dat belanghebbende de bedragen reeds kon vorderen is niet eenduidig. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het vierde middel kan niet tot cassatie leiden. Het vijfde middel betwist ’s Hofs oordeel dat artikel 13a, lid 2, van de Wet LB niet van toepassing is. Het Hof heeft terecht overwogen dat de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2005 heeft geoordeeld dat het tweede lid van artikel 13a Wet LB niet van toepassing is op werknemers die niet zoals directeuren grootaandeelhouders in feite zelf kunnen bepalen wanneer zij hun salaris genieten. Nu het Hof heeft vastgesteld dat niet aannemelijk is dat belanghebbende zelfstandig kon bepalen wanneer zij haar inkomen zou genieten, heeft het met juistheid geoordeeld dat artikel 13a, lid 2, Wet LB niet van toepassing is. Het vijfde middel kan niet tot cassatie leiden. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van belanghebbendes beroep in cassatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen