Conclusie A-G Wattel 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:702
Inwonend en niet-werkend gezinslid van een werknemer van VN-tribunalen; verzekerd voor de AOW? Zetelovereenkomst met de VN die verzekering uitsluit Feiten: De belanghebbende is Nederlandse en woont in Nederland bij haar moeder. Zij is beperkt in haar AOW-opbouw doordat haar moeder bij de Rwanda- en Joegoslavië-tribunalen van de VN werkte en inwonende, niet-werkende gezinsleden van employés van die tribunalen door de VN-zetelovereenkomsten en in het voetspoor daarvan de Nederlandse wetgeving worden uitgesloten van Nederlandse sociale verzekering. Geschil: De belanghebbende acht zich wél verzekerd omdat de VN haar pensioen niet verzekeren en Nederland haar ongerechtvaardigd discrimineert ten opzichte van inwonende gezinsleden van werknemers van Nederlandse werkgevers. Zij beroept zich op internationale discriminatieverboden en het eigendomsgrondrecht van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. De Rechtbank meent met de belanghebbende dat de lagere Nederlandse wetgeving haar ongerechtvaardigd discrimineert op grond van haar status als gevolg van haar moeders werkgeverskeuze. De CRvB is in hoger beroep de tegenovergestelde mening toegedaan. Cassatiemiddel belanghebbende: De CRvB heeft ten onrechte geoordeeld dat (i) zij niet op grond van nationaal recht verzekerd was, (ii) de discriminatieverboden niet geschonden zijn en (iii) haar eigendomsgrondrecht niet geschonden is. A-G Wattel meent dat uit zowel de VN-Zetelovereenkomsten als de nationale regelgeving blijkt dat Nederland en de VN wilden dat uitsluitend het sociale-zekerheidsstelsel van de VN geldt voor VN-werknemers en hun inwonende gezinsleden, en dat zowel premieplicht als verzekering in Nederland is uitgesloten. De Nederlandse lagere wetgever heeft die bedoeling niet steeds even helder toegelicht, maar dat doet niet af aan de duidelijke bepalingen in de Zetelovereenkomsten en de Nederlandse lagere wetgeving. De uitsluiting is weliswaar prima facie een discriminatie naar VN-arbeidsvoorwaardenstatus en VN-sociale-zekerheidspositie van belanghebbendes moeder, maar mede beslissend zijn belanghebbendes eigen statussen (i) inwonend, (ii) niet-verdienend, (iii) niet-uitkeringsgerechtigd, (iv) premievrijgesteld en (v) niet vrijwillig verzekerd. Alle tot uitsluiting leidende statussen zijn ‘onverdachte’ onderscheidingscriteria die bovendien gelden op een terrein van sociale-verzekeringregulering, zodat Nederland volgens de EHRM-rechtspraak geen very weighty reasons behoeft als rechtvaardiging voor de onderscheidingen. Nederland kan daarom volgens de A-G binnen zijn wide margin of appreciation menen dat zich een relevant objectief verschil in omstandigheden voordoet (een in Nederland woonachtige werknemer van een Nederlandse werkgever en diens inwonende, niet-verdienende niet-uitkeringsgerechtigde, verplicht verzekerde en daardoor premie¬plichtige gezinsleden vallen niet exclusief onder het VN-remuneratie-, verzekerings- en belastingstelsel), en voorts menen - nu het niet gaat om onderscheid naar sekse, ras, geloof, etnische afkomst en dergelijke - dat het onderscheid gerechtvaardigd wordt door een legitimate aim, nl. erkenning van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van de VN (die geen lokale premieplicht wenste) en de bevoegdheid en aantrekkelijkheid van Nederland om VN-zetelovereenkomsten (mee) te sluiten, welk legitiem doel niet met disproportionele veronachtzaming van belanghebbendes belangen nagestreefd wordt. Het stond de belanghebbende voorts vrij om de door haar eventueel niet-gewenste status van VN-verzekerde af te schudden door te werken of niet meer in te wonen bij haar moeder vanaf een bepaalde leeftijd (de belanghebbende was 15 tot 23 jaar oud in de relevante periode(n)). De uitsluiting schendt volgens de A-G evenmin het EVRM-eigendomsgrondrecht, nu de belanghebbende nooit een juridische aanspraak of recht of legitimate expectation ter zake van pensioen voor de relevante jaren heeft gehad, zodat geen sprake is van een possession in de zin van art. 1 Eerste Protocol die haar afgenomen zou zijn. Zou wél een aantasting van eigendom aangenomen worden, dan bestaat zijns inziens ook daarvoor rechtvaardiging op grond van objectief verschil in omstandigheden en het ontbreken van een individual and excessive burden. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 6 AOW
- Artikel 6a AOW
- Artikel 7a AOW
- Artikel 13 AOW
- Artikel 34 AOW
- Artikel 35 AOW
- Artikel 38 AOW
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 26 BUPO
- Artikel 2 IVRK
- Artikel 33 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
- Artikel 37 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer