Conclusie A-G IJzerman 26 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:642

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/03888 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2012, nr. 11/00917, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0724. De uitspraak van het Hof waartegen beroep in cassatie is ingesteld betreft een uitspraak op verzet als bedoeld in artikel 8:55 Awb. Het geschil in verzet was of het Hof het hoger beroep van belanghebbende (aanvankelijk) terecht niet-ontvankelijk had verklaard in verband met het onbetaald laten van griffierecht. Op het verzet van belanghebbende heeft het Hof hem in verband met zijn beperkte financiële mogelijkheden verlaging van het griffierecht verleend tot een alsnog te betalen bedrag van € 20. Thans is aan de orde of een Hof aan een belanghebbende wegens financieel onvermogen een lager of geen griffierecht in rekening mag brengen. Die vraag heeft zowel nationale als EVRM-aspecten. De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte “in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin de financiële omstandigheden van belanghebbende zodanig zijn dat deze aan betaling van het volledige bedrag aan griffierecht in de weg staan (…) aanleiding ziet het ter zake van de indiening van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te verminderen tot op € 20”. De A-G wil eerst bezien in hoeverre hier de toegang tot de rechter al door de Nederlandse wetgeving zelf gewaarborgd wordt. In de onderhavige zaak was belanghebbende op grond van artikel 27l AWR griffierecht verschuldigd ten bedrage van € 112. Dit griffierecht wordt geheven door de griffier. De wettekst geeft een gerechtshof niet de bevoegdheid om te bepalen dat een lager dan uit de wet voortvloeiend griffierecht zal worden geheven. Op grond van artikel 27l, lid 4, AWR in samenhang met artikel 8:41, lid 2, Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest met het betalen van het griffierecht. De A-G meent dat ook als een indiener het griffierecht helemaal niet heeft betaald, ‘het bedrag niet binnen de termijn bijgeschreven of gestort’. Dat betekent volgens de A-G dat ook in dat geval kan worden getoetst of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De A-G merkt op dat een ratio voor de heffing van griffierecht is dat de wetgever heeft gewild dat de rechtzoekenden een zekere financiële bijdrage zouden leveren ter bestrijding van de door hun procedure opgeroepen kosten. Het lijkt de A-G echter onaanvaardbaar aan rechtzoekenden die geen bijdrage kunnen betalen mee te delen dat de overheid hun procedure niet wil laten doorgaan omdat de overheid daarvan niet alle kosten wil dragen. Daarnaast moet de heffing van een griffierecht bijdragen tot een zorgvuldig gebruik van voorzieningen van rechtspraak, doordat de indiener een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten moet maken. Een indiener van een beroep die, gelet op zijn financiële mogelijkheden, geen enkele mogelijkheid heeft het griffierecht te voldoen, is niet in staat de door de wetgever beoogde afweging te maken; hij heeft geen andere keus dan van het instellen van beroep af te zien. Ook dit lijkt de A-G niet de in overeenstemming met hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de wettelijke regeling van het griffierecht. Een en ander moet volgens de A-G betekenen dat na constatering van financieel onvermogen om het wettelijk voorziene griffierecht (geheel) te betalen, die niet-betaling verschoonbaar is en niet behoeft te leiden tot het oordeel dat de indiener in verzuim is geweest. De A-G meent dat de rechter aan de indiener ten minste één gelegenheid moet bieden om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het onbetaald laten van het griffierecht verschoonbaar zou kunnen zijn. Indien aan een indiener van beroep nog geen gelegenheid is geboden om redenen voor het onbetaald laten van het griffierecht aan te voeren en zijn beroep bij verkorte afdoening niet-ontvankelijk verklaard is, meent de A-G dat de redenen voor niet-betalen voor het eerst in verzet mogen worden aangevoerd. Gezien de door het Hof vastgestelde financiële positie van belanghebbende is het niet betalen van griffierecht volgens de A-G verschoonbaar te achten. De A-G acht de verleende vermindering tot € 20 toelaatbaar. Overigens zijn er ook verdragsaspecten. In casu gaat het om een naheffingsaanslag en een vergrijpboete. In het kader van een beroep op het EVRM tot buiten toepassing laten van een wettelijke regeling pleegt onderscheid te worden gemaakt tussen de boete, waarop met name artikel 6 EVRM ziet, en de naheffingsaanslag, waarop met name ziet het beginsel dat toegang tot de rechter niet onmogelijk mag worden gemaakt omdat de slechte financiële toestand van belanghebbende hem niet in staat stelt het griffierecht (volledig) te betalen. Met toepassing van deze verdragsaspecten komt de A-G tot dezelfde, hierboven genoemde, conclusies als reeds bestaande ingevolge Nederlandse regelgeving met betrekking tot het griffierecht. Omtrent de proceskostenveroordeling in de verzetsprocedure merkt de A-G op dat uitgangspunt moet zijn dat indien een belanghebbende in de loop van een fiscale procedure met vrucht enig rechtsmiddel aanwendt, de kosten daarvan moeten worden gebracht voor rekening en risico van de Inspecteur. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatsecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken