CRvB 13 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4763

Ongegrondverklaring van het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het niet tijdig betalen van griffierecht. De bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de EU kunnen in dit geval geen toepassing vinden. Het heffen van griffierecht vormt in de omstandigheden van het geval geen wezenlijke inbreuk op het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter. De stelling van opposant dat het griffierecht niet onevenredig hoog mag zijn in verhouding tot de hoogte van de boete, vindt in een stelsel als het onderhavige, waarin het griffierecht is gefixeerd op een vast (betrekkelijk laag) bedrag, geen steun in de rechtspraak van het EHRM. Het aanhouden van het hoger beroep inzake de boete totdat is beslist op het hoger beroep inzake de terugvordering, zou het instellen van een voorwaardelijk hoger beroep behelzen. Dat is niet verenigbaar met de Beroepswet, die voor het instellen van hoger beroep verplicht tot het betalen van een griffierecht en die de mogelijkheid van voorwaardelijk hoger beroep niet kent.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen