Conclusie A-G IJzerman 20 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:618

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], tegen de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 22 mei 2012, nr. 10/00286, LJN BW7837, NTFR 2012/1744. De staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft het woonhuis van zijn moeder gekocht. Ingevolge de akte van levering is bepaald dat aan de moeder toekomt het recht om in het huis te blijven wonen, thans samen met belanghebbende en zijn echtgenote. Door partijen zijn die rechten omschreven als: ‘beperkte rechten van gebruik en bewoning als bedoeld in artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek’. Over de omvang van die rechten is bepaald: ‘De rechten strekken tot gebruik en bewoning van het gehele registergoed, in dier voege dat verkoper het alleenrecht van gebruik wordt verleend van de thans door haar gebruikte slaapkamer en het recht van medegebruik van het restant van het registergoed, met uitzondering van de slaapkamer van koper en diens echtgenote (ten aanzien waarvan het recht van gebruik alleen zal toekomen aan koper en diens echtgenote).’ Belanghebbende is terzake van deze verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd. In deze procedure gaat het om de vraag in hoeverre bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het door belanghebbende verkregene rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect van de in de notariële akte aan de moeder verleende rechten. De A-G merkt op dat er alleen sprake kan zijn van een dergelijk waardedrukkend effect indien op het woonhuis rechten zijn gevestigd die werking hebben tegenover derden, zoals hier met name goederenrechtelijk gevestigde rechten van gebruik en bewoning. Aan slechts persoonlijk tussen partijen gevestigde contractuele rechten komt geen derdenwerking toe en dus ook geen waardedrukkend effect. In casu wordt er door partijen, Rechtbank en Hof kennelijk vanuit gegaan dat hier sprake is van goederenrechtelijk gevestigde rechten van gebruik en bewoning. De A-G betwijfelt echter of de aan moeder toegekende rechten zijn aan te merken als goederenrechtelijke rechten. Een beperkt goederenrechtelijk recht kan alleen worden gevestigd op een zelfstandige zaak, zoals, naar de A-G meent, een woonhuis als geheel. Naar zijn mening zijn partijen er in casu niet in geslaagd om rechtsgeldig binnen het systeem van het goederenrecht, de beoogde goederenrechtelijke rechten van gebruik en bewoning te vestigen. Redengevend daartoe acht de A-G dat hun overeenkomst niet ziet op gebruik en bewoning van een zelfstandige zaak, zijnde het gehele woonhuis. Het komt hem aldus voor hier geen goederenrechtelijke rechten van gebruik en bewoning zijn gevestigd. Daaraan voegt de A-G nog toe ook te betwijfelen of de wettelijk voorziene rechten van gebruik en bewoning door partijen zover kunnen worden opgerekt dat die omvatten rechten van medebewoning en medegebruik. De A-G meent dat nu partijen er niet in zijn geslaagd goederenrechtelijke rechten van gebruik en bewoning te vestigen, van een waardedrukkend effect op de onderhavige verkrijging geen sprake kan zijn. De klachten van belanghebbende kunnen daarom niet tot cassatie leiden. De A-G ziet onder deze omstandigheden reden voor ambtshalve cassatie, ook al komt die voor belanghebbende neer op reformatio in peius ten opzichte van de Hofuitspraak. De bovengrens blijft het bedrag van de naheffingsaanslag, voorzover de Inspecteur deze naderhand heeft gehandhaafd, dus als te verminderen met ambtshalve vermindering(en). In het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris gaat het om de vraag of het waardedrukkende effect van het recht van gebruik en bewoning van de onroerende zaak moet worden berekend als een percentage van de volle waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak of als een percentage van de waarde in het economische verkeer minus de toegepaste vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder i, WBRV, dat een vrijstelling inhoudt van door en voor rekening van de verkrijger aangebrachte zaken. De A-G merkt op dat de wetssystematiek het volgende inhoudt. Afdeling 2 van Hoofdstuk II WBRV ziet op de ‘maatstaf van de heffing’. Het eerste artikel van deze afdeling is artikel 9, waarin in lid 1 is bepaald dat de belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak. Ingevolge de daarop volgende afdeling 3 is van de belasting vrijgesteld de verkrijging van, onder meer, een zaak die voor rekening van de verkrijger is aangebracht. Volgens de A-G leidt dit systeem van de wet ertoe dat eerst rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect en dat daarna pas wordt toegekomen aan de vrijstelling. De A-G meent dat ook de tussen partijen gemaakte afspraken wijzen in die richting. Voorts wijst de A-G erop dat de veronderstelde rechten van gebruik en bewoning drukken op het gehele woonhuis, inclusief door belanghebbende daaraan aangebrachte zaken. Het middel van de Staatssecretaris faalt. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie van partijen, alsmede tot ambtshalve vernietiging van de uitspraken van Hof en Rechtbank alsmede van de uitspraak op bezwaar, met nadere vaststelling van de naheffingsaanslag op € 8.860, te vermeerderen met de verschuldigde heffingsrente.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen