Conclusie A-G Niessen 24 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1150
[X] (hierna: belanghebbende) en haar partner wonen in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende is niet in Nederland premieplichtig. Haar partner is voor zijn Nederlandse salaris belasting- en premieplichtig in Nederland. Het geschil betreft de bepaling van de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-premieplichtige niet-inwoners, zoals voorzien in artikel 8.9a van de Wet IB 2001. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de bijzondere verhoging van de heffingskorting rekening dient te worden gehouden met de premies die belanghebbende verschuldigd zou zijn geweest, ware zij premieplichtig inwoner. De rechtbank heeft overwogen dat de tekst van artikel 8.9a Wet IB 20001 niet de mogelijkheid biedt om rekening te houden met een bedrag aan premie volksverzekeringen. Het hof is van oordeel dat de wettelijke bepaling niet zegt dat het per saldo verschuldigde bedrag aan heffingen voor inwoners en niet-inwoners gelijk moet zijn, maar dat, kort gezegd, het bedrag van de heffingskorting gelijk moet zijn. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond. De A-G is het met het oordeel van het Hof eens. De bijzondere verhoging van artikel 8.9a, tweede lid, Wet IB 2001 bestaat eruit dat een niet-premieplichtige (niet-)inwoner recht heeft op verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de gecombineerde heffingskorting waarop een premieplichtige inwoner van Nederland recht heeft. Wellicht gaat de regeling verder dan waartoe de Europese jurisprudentie noopt. Dit doet echter niet af aan de rechten die belanghebbende aan de wettekst kan ontlenen. De vastgestelde tekst van artikel 8.9a Wet IB 2001 en de parlementaire behandeling bieden naar de mening van de A-G onvoldoende aanknopingspunten om bij een gering inkomen rekening te houden met een fictief of rekenkundig bedrag aan premies volksverzekeringen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 7a AOW
- Artikel 8 WFV
- Artikel 10 WFV
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 2.5 Wet IB 2001
- Artikel 2.7 Wet IB 2001
- Artikel 2.17 Wet IB 2001
- Artikel 8.8 Wet IB 2001
- Artikel 8.9 Wet IB 2001
- Artikel 8.9a Wet IB 2001
- Artikel 8 Wfsv
- Artikel 9 Wfsv
- Artikel 10 Wfsv
- Artikel 11 Wfsv
- Artikel 12 Wfsv
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 3
- Artikel 7