Conclusie A-G van Hilten 8 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1139

Belanghebbende, ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), heeft een concept uitgewerkt om omzetbelastingvrij winkelen in Nederland door buiten de EU gevestigde reizigers te faciliteren. De onderhavige zaak is een proefprocedure, waarin belanghebbende haar concept heeft uitgeprobeerd op de aankopen van (of liever: voor) een reizigster uit Suriname en heeft verzocht om teruggaaf van de door de Nederlandse winkeliers in rekening gebrachte omzetbelasting. Het concept houdt kort gezegd in, dat belanghebbende de reiziger machtigt om op haar naam, maar voor rekening van de reiziger, goederen aan te schaffen bij een winkelier in Nederland. Zodra de reiziger het bewijs van uitvoer van die goederen (buiten de EU) aan belanghebbende heeft geleverd, draagt belanghebbende de (juridische) eigendom van de aankopen met toepassing van het nultarief over aan de reiziger. Onder inhouding van een provisie betaalt belanghebbende dan aan de reiziger het verschil terug tussen de vergoeding vermeerderd met btw die de reiziger aan de winkelier heeft betaald, en de vergoeding exclusief btw (althans: 0%) waarvoor belanghebbende de eigendom aan de reiziger overdraagt. De gedachte is dat op de aldus gestructureerde transactie(s) de zogenoemde commissionairsbepaling van artikel 3, lid 6, van de Wet van toepassing is, inhoudende dat de aankopen van de reiziger worden geacht door de winkelier aan belanghebbende te zijn geleverd, en vervolgens door belanghebbende aan de reiziger. In die opzet heeft belanghebbende recht op aftrek van de door de winkelier berekende omzetbelasting en is zij geen omzetbelasting (althans: 0%) verschuldigd ter zake van de levering aan de reiziger. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zagen geen heil in het concept van belanghebbende. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet is opgetreden ‘op order’ van de reizigster en dat de reizigster de transacties voor eigen rekening heeft verricht, zodat de aankopen zonder tussenkomst van belanghebbende zijn gedaan. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. A-G Van Hilten meent, anders dan de Rechtbank en het Hof, dat belanghebbende wél recht heeft op aftrek van voorbelasting. Het Hof is bij zijn oordeel dat artikel 3, lid 6, van de Wet in casu niet van toepassing is, naar zij meent uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft, gelet op de contractuele bepalingen en facturering, niet kunnen oordelen dat op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van een tussenpersoon. Immers, gesteld noch gebleken is dat in casu sprake is van schijntransacties, misbruik van recht of belastingontwijking. De A-G is van oordeel dat het concept juist exact uitvoering geeft aan doel en strekking van de btw-richtlijn en de toepassing van het nultarief vergemakkelijkt, zowel voor de winkelier, als voor de reiziger, als voor de fiscus. De A-G komt tot de conclusie dat het cassatiemiddel slaagt en dat, gelet hierop, de overige in het middel besloten liggende klachten geen behandeling behoeven. De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken