Conclusie A-G IJzerman 4 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1115
Staatssecretaris van Financiën, tegen de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 31 mei 2012, nrs. 03/00694, 03/00695, 03/00696, 03/00699, 03/00700 en 03/01030, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8036, NTFR 2012/1674. Het gaat hier om het beroep in cassatie tegen de nadere uitspraak van het Hof over verzoeken tot schadevergoeding van belanghebbende naar aanleiding van procedures over zes belastingaanslagen. De beroepen daartegen zijn uiteindelijk alle gegrond verklaard. In al deze zaken heeft belanghebbende binnen de fiscale procedure verzocht om vergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Het Hof heeft die toegekend. Thans is in cassatie in geschil in hoeverre er plaats is voor die vergoeding. In het eerste middel van de Staatssecretaris wordt gesteld dat het Hof ten onrechte ‘heeft geoordeeld dat ook een schadevergoeding van kosten in de bezwaarfase kan worden toegekend, voor zover die kosten toegerekend kunnen worden aan de bestrijding van correcties die in beroep gehandhaafd zijn (…) omdat artikel 8:73 Awb vereist dat sprake is van een gegrond beroep.’ In de toelichting wordt de strekking van het middel aldus verhelderd: ‘Voor zover het beroep niet gegrond wordt verklaard komen de aan die onderdelen toe te rekenen kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor kosten die gemaakt zijn in de bezwaarfase, waar het volgende voor geldt: in de bezwaarfase wordt gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen; in beroep blijft de gehele resterende correctie in stand.’ De A-G merkt op dat in casu de zes beroepen uiteindelijk alle gegrond zijn verklaard, ook al is belanghebbende niet op alle geschilpunten in het gelijk gesteld, zodat materieel sprake is van gedeeltelijke gegrondheid. Formeel is het voor het dictum ‘gegrond’ al voldoende dat belanghebbende met betrekking tot tenminste één geschilpunt in het gelijk is gesteld. Dat geldt zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase. Elke vermindering bij uitspraak op bezwaar of bij rechterlijke uitspraak leidt aldus tot gegrondverklaring. Aan het vereiste van gegrondverklaring in artikel 8:73 Awb is hier daarmee zijns inziens voldaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de (fiscale) bestuursrechter die een vordering tot schadevergoeding op basis van artikel 8:73 Awb beoordeelt binnen een (fiscaal)bestuursrechtelijke procedure, dezelfde criteria dient toe te passen als de burgerlijke rechter. In dat kader staat hier vast dat de zes primaire besluiten, de belastingaanslagen, onrechtmatig waren, dat die onrechtmatigheden aan het overheidsorgaan toerekenbaar zijn en dat het inroepen van rechtsbijstand en de kosten daarvan redelijk waren. Daarmee is, behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, zijns inziens materieel voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW bij de burgerlijke rechter. Civielrechtelijk wordt er geen onderscheid gemaakt tussen het in de bezwaarfase dan wel in de beroepsfase constateren van de onjuistheid van het primaire besluit, zodat naar burgerlijk recht zowel de kosten van rechtsbijstand voor de bezwaar- als de beroepsfase voor vergoeding in aanmerking komen. Daarmee wordt toegekomen aan de vraag wat hier de rechtsingang moet c.q. kan zijn. Dat zou kunnen zijn door middel van dagvaarding van de Staat der Nederlanden en het aanhangig maken van de vordering bij de burgerlijke rechter. Dat kan alsnog na een gegrond beroep bij de belastingrechter. Maar de A-G wijst erop dat het doelmatiger is die vordering al in een lopende fiscale procedure te laten beoordelen door de belastingrechter. Daarvan uitgaande acht de A-G het juist (en trouwens ook doelmatig en wenselijk) dat het Hof ook de schadevergoeding voor kosten in de bezwaarfase onder toepassing van artikel 8:73 Awb heeft toegekend. Aldus meent de A-G dat het door de Staatssecretaris voorgestane ‘voor zover-vereiste’ geen steun vindt in het recht. Het eerste middel faalt. Het tweede middel ziet op de vraag wat het aanvangsmoment is voor de berekening van renteschade over de te vergoeden kosten. De A-G merkt op dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:73 Awb blijkt dat bij de beoordeling van een op dit artikel gebaseerd verzoek moet worden aangesloten bij het algemene civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Daaruit volgt, naar de A-G meent, dat de termijn waarover wettelijke rente vergoed moet worden meteen begint te lopen na het ontstaan van de schade. Derhalve zijns inziens niet pas nadat in gebreke is gesteld, in casu in de vorm van een verzoek tot vergoeding van de wettelijke vertragingsrente. Het komt de A-G voor dat het vereiste dat ingevolge artikel 8:73 Awb een verzoek tot schadevergoeding binnen een fiscale (of andere bestuursrechtelijke) procedure moet worden ingediend, te zien is in het kader van de procedurele aspecten ter verkrijging van schadevergoeding in rechte; namelijk niet in een afzonderlijke civiele procedure, maar al bij de bestuursrechter. Dit procedurele vereiste heeft naar zijn mening geen invloed op het ontstaan van de opeisbaarheid van de onderhavige vordering uit onrechtmatige overheidsdaad en daarmee evenmin op het tijdstip waarop de wettelijke rente begint te lopen. Een verzoek om schadevergoeding wegens rentederving is volgens de A-G dus toewijsbaar vanaf het moment dat een onrechtmatig gebleken besluit schade tot gevolg heeft. Daarbij doet het naar zijn mening niet ter zake wanneer een vordering tot vergoeding van renteschade is ingesteld, of dat nu is in een civiele procedure dan wel binnen een fiscale procedure met toepassing van artikel 8:73 Awb. Een en ander betekent dat het tweede middel eveneens faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 57 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 81 RO
- Artikel 21 Berw
- Artikel 99 Wet RvS
- Artikel 25 BRK
- Artikel 68a Overgangswet NBW
- Artikel 173 Overgangswet NBW
- Artikel 182 Overgangswet NBW
- Artikel 28 IW
- Artikel 6:82 BW6
- Artikel 6:83 BW6
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:99 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:120 BW6
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 7:15 Awb
- Artikel 8:72 Awb
Aangehaalde uitspraken
- HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4029
- HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4638
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0264
- Hof Amsterdam 31 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8035
- Hof Amsterdam 31 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8036
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2629
- Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense 13 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV2629
- HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988
- HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9152
- HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5468
- Hof 's-Gravenhage 1 juli 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BD7000
- HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA9380
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7940
- Conclusie A-G Wattel 16 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB7940
- HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610
- HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3051
- Conclusie A-G Niessen 21 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AT3051
- HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT4493
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AT4493
- HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7739