Conclusie A-G Aben 23 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:103

Uitlevering. Aanhoudingsverzoek met het oog op het horen van getuigen. 1. De HR stelt voorop dat op de gronden vermeld in HR LJN BW2489, moet worden aangenomen dat het thans geldende art. 26.1 UW niet eraan in de weg staat dat de Rb de oproeping van getuigen of deskundigen kan gelasten, niet alleen met het oog op de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, maar ook indien zij zulks noodzakelijk acht i.h.k.v. haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het uitleveringsverzoek en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De Rb heeft geoordeeld dat de vraag naar de consequenties die door NL aan deze. mogelijke dreigende schending van mensenrechten door privépersonen jegens de o.p. in de verzoekende Staat verbonden moeten worden, niet door de uitleveringsrechter doch door de Minister dient te worden beoordeeld. Gelet daarop is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek met het oog op het horen van getuigen over de vraag of de Albanese autoriteiten tegen bloedwraak bescherming kunnen bieden toereikend gemotiveerd. 2. Ingevolge bestendige rechtspraak is het oordeel omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de o.p. zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, voorbehouden aan de Minister. In aanmerking genomen dat de o.p. tegen diens beslissing kan opkomen bij de burgerlijke rechter, dwingt geen rechtsregel en i.h.b. niet art. 13 EVRM, tot een andere taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen