Conclusie A-G Aben 5 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP6138

Beklag, beslag. Casus: niet natuurlijke dood verpleegd persoon. OM vordert medisch zorgdossier van (nog) niet verdachte(n). 1. Artt. 105, 96a.3 en 218 Sv. Bevel tot uitlevering. Verschoningsgerechtigde. 2. Maatstaf. 3. Nemo tenetur-beginsel. Ad 1. Noch de tekst van de wet noch de daaraan ten grondslag liggende wetsgeschiedenis biedt steun aan de opvatting dat een bevel tot uitlevering a.b.i. art. 105 Sv niet mag worden gegeven aan een verschoningsgerechtigde t.z.v. voorwerpen die gegevens inhouden waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd. Volgens de bewoordingen van de wet kan ook aan personen met een bevoegdheid tot verschoning a.b.i. art. 218 Sv een bevel tot uitlevering worden gegeven zoals bedoeld in art. 105 Sv, maar zijn deze personen niet verplicht aan een dergelijk bevel te voldoen vzv. de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. Het in deze bepalingen neergelegde systeem van wet biedt de verschoningsgerechtigde dus in geval van een bevel tot uitlevering de mogelijkheid een selectie te maken van de stukken ten aanzien waarvan hij van oordeel is dat zij onder zijn verschoningsrecht vallen en stukken waarvoor dat niet geldt. Ad. 2. HR herhaalt de relevante overwegingen uit o.m. LJN BC1370 m.b.t. het verschoningsrecht, de relevante overwegingen uit LJN BG5979 m.b.t “zeer uitzonderlijke omstandigheden” en de relevante overwegingen uit HR LJN BD7817 m.b.t. de betekenis van de toestemming van de direct betrokkene om wiens persoonlijke levenssfeer het gaat voor het verstrekken van gegevens. Voorts moet een en ander in onderhavig geval mede worden bezien tegen de achtergrond van de uit art. 2 EVRM voortvloeiende verplichting van de Staat tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek. De Rb heeft toepassing gegeven aan genoemd toetsingskader, en haar oordeel komt erop neer dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert boven de met het verschoningsrecht gemoeide belangen. Gelet daarop komt geen zelfstandige betekenis toe aan het ontbreken van het woord “zeer” in de door de Rb gebezigde uitdrukking “uitzonderlijke omstandigheden”. Voorts geeft het oordeel van de Rb dat in dit geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Daaraan doet, gelet op doel en strekking van genoemde rechtspraak, niet af dat kla(a)g(st)er in deze zaak (nog) niet als verdachte kan worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen