Conclusie A-G Vlas 8 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP4943

Enquête. Bevoegdheid tot indienen verzoek; art. 2:346 lid 1, onder b, BW. Primary beneficiary van een trust naar het recht van Bermuda bevoegd enquête te verzoeken van in Nederland gevestigde ‘kleindochter’? Oordeel OK dat aandelen kleindochter worden gehouden door twee Nederlands-Antilliaanse vennootschappen en dat deze vennootschappen niet kunnen worden ‘weggedacht’ bij beantwoording ontvankelijkheidsvraag, is juist en niet onbegrijpelijk. Oordeel dat trust - en met haar ook de primary beneficiary - niet kan worden beschouwd als of gelijkgesteld met economisch rechthebbende op aandelen in de Nederlandse rechtspersoon, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en kan verder in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Hebben van economisch belang op grond van trustverhouding onvoldoende om voor toepassing enquêterecht gelijk te worden gesteld met economisch rechthebbende voor wier rekening en risico de aandelen worden gehouden. Bevoegdheid tot indienen verzoek ook niet bij wege van ‘concernenquête’ nu aandeelhouders Nederlandse ‘kleindochter’ zijn gevestigd te Curacao en verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW mitsdien zowel ten aanzien van deze vennootschappen als ten aanzien van kleindochter op niet-ontvankelijkheid stuit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen