Conclusie A-G Jörg 20 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP4606
OM-cassatie. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is door de raadsman aangevoerd dat nadat op last van de burgelijke rechter op vordering van de Ontvanger de verdachte is gegijzeld teneinde zijn belastingschuld te voldoen danwel adequate gegevens te verstrekken, het het OM niet meer vrijstond tegen hem een strafvervolging in te stellen. Het Hof heeft dat verweer gegrond verklaard en het OM niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat de in het arrest genoemde passage uit de Leidraad Invordering 1990 zo moet worden uitgelegd dat de Ontvanger een keus dient te maken “tussen het starten van een civiele procedure en het toepassen van de strafsanctie van Hoofdstuk VIII” zodat na het starten van een civiele procedure geen ruimte meer bestaat om de strafsanctie van hoofdstuk VIII toe te passen. Die uitleg is, gelet op de in de conclusie van de AG weergegeven structuur van de Invorderingswet en de wetsgeschiedenis daarvan, te beperkt en derhalve onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 585 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 587 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 592 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 600 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 611 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 79 RO
- Artikel 167 Sv
- Artikel 433 Sv
- Artikel 434 Sv
- Artikel 435 Sv
- Artikel 20 IW
- Artikel 58 IW
- Artikel 60 IW
- Artikel 63a IW
- Artikel 64 IW
- Artikel 65 IW
- Artikel 66 IW