Conclusie A-G Silvis 31 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP1179

Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De opvatting dat een onrechtmatige afname van het referentiemonster en het daaruit vervaardigde en opgeslagen DNA-profiel (telkens) een vormverzuim betreft, begaan bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv, is onjuist. Dit verzuim kan niet worden begrepen onder een verzuim begaan "bij een voorbereidend onderzoek" in de zin van artt. 359a jo 132 Sv, nu dit immers niet is begaan in het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen (vgl. HR LJN AM2533). Het oordeel van het Hof dat het beroep van de verdachte op bewijsuitsluiting van het door het NFI verrichte DNA-onderzoek moet worden verworpen op de grond dat de verdachte in de gegeven omstandigheden niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat na het tegen de verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank de officier van justitie ingevolge art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gehouden was geweest te bevelen dat van de verdachte celmateriaal zou worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, dat dit bevel alleen niet is uitgevoerd omdat van de verdachte reeds een referentiemonster was afgenomen en zijn DNA-profiel was bepaald en dat, zou alsnog een referentiemonster zijn afgenomen, het daarvan bepaalde DNA-profiel van de verdachte identiek zou zijn geweest aan het reeds bepaalde profiel en tot dezelfde matches zou hebben geleid als thans het geval is geweest. Gelet op dat oordeel van het hof en in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan volgen dat op enigerlei wijze is tekortgedaan aan het recht van de verdediging om de uitkomst van het bedoelde DNA-onderzoek van het NFI te betwisten, kan niet worden gezegd dat dit onderzoek - ook al heeft de daaraan voorafgaande onrechtmatige afname van het celmateriaal inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte - een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel een zodanige veronachtzaming van de rechten van de verdediging tot gevolg heeft gehad, dat de uitkomst van dit onderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten (vgl. HR LJN AF4321).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen