Conclusie A-G Vellinga 5 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO6693

Opsporingsbevoegdheid verkeersassistenten. HR zet wettelijk kader uiteen (waaronder het Besluit houdende regels ter uitvoering van art. 142.4 Sv, het Bbo, Stb. 1994, 825 en de daarbij behorende nota van toelichting, art. 3.1 Politiewet 1993, het Besluit strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren van politie bij het regionale politiekorps Noord-Holland Noord, Stcrt. 11 april 2003, nr. 72, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2005, Stcrt. 14 december 2004, nr. 241 en de daarbij behorende nota van toelichting). Uit dit samenstel van bepalingen vloeit voort dat verkeersassistenten in dienst van het politiekorps Noord-Holland Noord zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar en dat zij als zodanig bevoegd zijn tot opsporing van ingevolge art. 20 ahf en onder a RVV 1990 strafbaar gestelde gedragingen, mits zij op dat moment beschikken over een geldige titel van opsporingsbevoegdheid, de bekwaamheid en betrouwbaarheid bezitten voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden en hun opsporingsbevoegdheid ter zake is vastgelegd in een akte van beëdiging. Deze akte van beëdiging is mede tegen de achtergrond van de nota van toelichting bij het Bbo vereist voor de daadwerkelijke bevoedheid tot opsporing van de in die akte genoemde strafbare feiten. ’s Hofs oordeel, inhoudende dat het verweer dat de desbetreffende verbalisanten niet beschikten over opsporingsbevoegdheid kan worden verworpen op de grond dat beide verbalisanten als verkeersassistent zijn aangesteld en beiden in het kader van die aanstelling de ambtsbelofte hebben afgelegd lijdt aan een motiveringsgebrek. Het hof heeft onvoldoende zicht gegeven in zijn gedachtegang en ’s hofs oordeel geeft ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is ontoereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen