Conclusie A-G Vegter 1 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO4019

1. Verjaring. Art. 244 (oud) Sr. 2. Oplegging schadevergoedingsmaatregelen. Ad 1. Nu het onderhavige misdrijf volgens de tenlastelegging is begaan vóór de inwerkingtreding van de Wet verjarings- en klachttermijnen zedendelicten (Stb. 1994, 529) is de verjaringstermijn aangevangen op 30 mei 1993, de dag nadat X 18 jaar werd. Uitgaande van een ten tijde van het tenlastegelegde feit geldende verjaringstermijn van 12 jaren, is het tenlastegelegde feit op 30 mei 2005 verjaard. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat voorafgaand aan 30 mei 2005 een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring niet vóór 30 mei 2005 is gestuit. Dit betekent dat het tenlastegelegde feit vóór de inwerkingtreding van de Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (Stb. 2005, 595) is verjaard, zodat het recht tot strafvervolging is vervallen. De HR verklaart de OvJ alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft feit 1. Ad 2. Art. 36f Sr is in het arrondissement ’s-Gravenhage, waar de zaak in eerste aanleg is berecht, in werking getreden op 1 april 1995 (Stb. 1995, 160). Art. 36f Sr is niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding (Stb. 1993, 29). In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring van feit 2 gedeeltelijk de periode vóór 1 april 1995 beslaat, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover daarbij op de voet van art. 36f Sr aan de verdachte ten aanzien van feit 2 een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen