Conclusie A-G Hofstee 26 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO1633

Bijstand procesdeelnemer bij de behandeling door de raadkamer. Art. 23.3 Sv. De Hoge Raad is van oordeel dat een redelijke, aan de eisen van een goede procesorde beantwoordende en met het stelsel van de wet verenigbare wetstoepassing meebrengt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat in raadkamerprocedures de procesdeelnemer die bij de behandeling door de raadkamer niet is verschenen, zich aldaar kan laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat mits deze verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, onverminderd de bevoegdheid van de raadkamer te bevelen dat de procesdeelnemer in persoon zal verschijnen in geval zij het wenselijk acht dat hij bij de behandeling aanwezig is. Op het uitgangspunt dat een procesdeelnemer zich door een raadsman of advocaat kan laten vertegenwoordigen, zijn uitzonderingen denkbaar. Te denken valt in het bijzonder aan raadkamerprocedures waarin vertegenwoordiging door een raadsman of advocaat in strijd zou zijn met de andersluidende bewoordingen of strekking van de wet alsmede aan raadkamerprocedures waarin de aard van de procedure zich verzet tegen vertegenwoordiging door een raadsman of advocaat. Nu art. 23.3 Sv uitsluitend spreekt over de bijstand door een raadsman of advocaat en het wettelijk stelsel onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een ander oordeel, heeft als uitgangspunt te gelden dat van bijstand door een derde in beginsel geen sprake kan zijn, laat staan van vertegenwoordiging door een derde. In beginsel, omdat dit uitgangspunt vanzelfsprekend niet geldt ingeval de wet anders bepaalt, zoals art. 12f, eerste lid, Sv. Uit het voorgaande volgt dat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zoon/broer van de klagers niet was toegestaan om namens de klagers het woord te voeren, faalt. De klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de twee niet-verschenen klaagsters zich niet door mr. Van Oppen mochten laten vertegenwoordigen, steunt op een verkeerde lezing van het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en mist dus feitelijke grondslag. Dit proces-verbaal houdt immers in dat "als raadsman van klagers (...) aanwezig (is) mr. C.G.J. van Oppen”. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat zij ermee heeft ingestemd dat mr. Van Oppen in raadkamer de beide niet-verschenen klaagsters als raadsman vertegenwoordigt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen