Conclusie A-G VAN HILTEN 29 april 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI5089

CONCLUSIE PG Belanghebbende heeft als statutaire doelstelling het verkrijgen, beheren, exploiteren, bezwaren en vervreemden van registergoederen, alsmede de verkondiging van het Koninkrijk Gods en de prediking van het evangelie van Jezus Christus. Sinds 29 september 2001 exploiteert zij het "Multifunctioneel Centrum J" (J), een onroerende zaak met verschillende ruimten. In 2001 heeft belanghebbende in verband met het ter beschikking stellen van ruimten aan diverse huurders inkomsten gegenereerd. De verhuur geschiedde deels met en deels zonder omzetbelasting. Naar aanleiding van de bevindingen bij een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende bij de ingebruikneming van J op 29 september 2001 een 3-1-h-levering heeft verricht en legt een naheffingsaanslag op. Belanghebbende beroept zich op de in mededeling 40 (besluit van 19 december 1995, nr. VB95/4058, zoals gewijzigd bij het besluit van 24 november 2000, RTB 2000/2814) neergelegde faciliteit dat bij kortstondige verhuur aan telkens wisselende huurders ook zonder optiebeschikking belast mag worden verhuurd. Het Hof oordeelt dat mededeling 40 niet van toepassing is omdat belanghebbende een aan een kerkgenootschap verbonden lichaam is en de verhuur door dergelijke lichamen is uitgesloten van toepassing van mededeling 40. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt volgens het Hof, aangezien belanghebbende als met een kerkgenootschap verbonden lichaam niet in dezelfde positie verkeert als ondernemers bij wie geen sprake is van een dergelijke verbondenheid. A-G Van Hilten geeft allereerst aan dat de 3-1-h-levering wordt bepaald door, en plaatsvindt op, het tijdstip van ingebruikneming voor vrijgestelde prestaties. De A-G geeft vervolgens aan dat 29 september 2001 heeft te gelden als de datum waarop belanghebbende heeft beschikt over J. Uit de gedingstukken noch de uitspraak van het Hof blijkt echter wie er op 29 september 2001 J (als huurder) in gebruik namen. De A-G gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de kerk, de Stichting D, de eenmanszaak van E en K, J op 29 september 2001 in gebruik hebben genomen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat er geen schriftelijke huurcontracten zijn, dat geen verzoeken zijn ingediend om te worden uitgezonderd van de vrijstelling en dat geen verklaringen aanwezig zijn waarin huurders kenbaar maken dat zij het gehuurde voor meer dan 90% belast gebruiken. De A-G concludeert dan ook dat aan de wettelijke voorwaarden, waaronder onroerende zaken of gedeelten daarvan belast kunnen worden verhuurd, niet is voldaan. Volgens de A-G heeft belanghebbende op 29 september een 3-1-h-levering verricht, tenzij belanghebbende met recht een beroep doet op mededeling 40. De A-G is van mening dat aan mededeling 40 niet wordt toegekomen omdat ten tijde van de ingebruikneming van J geen sprake is van kortstondige verhuur aan wisselende huurders. Het Hof heeft een steek laten vallen door direct de voorwaarden, waaronder in geval van kortstondige verhuur belast mag worden, te toetsen en de stap of wel sprake is van kortstondige verhuur aan wisselende huurders in de zin van mededeling 40 over te slaan. Proceseconomisch acht de A-G de verwijzing naar een ander Hof op dit punt echter niet opportuun. Voor het geval de Hoge Raad A-G's opvatting omtrent de (niet) toepasbaarheid van mededeling 40 niet deelt, gaat de A-G in op de in mededeling 40 gestelde nadere voorwaarden. Het oordeel van het Hof, dat belanghebbende en de kerk moeten worden geacht verbonden te zijn in de zin van mededeling 40, acht de A-G niet onbegrijpelijk en kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft belanghebbendes stelling dat zij vergelijkbaar is met gewone verhuurders van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, niet onderzocht en heeft volstaan met de overweging dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een willekeurige verhuurder van congresruimte omdat zij nu eenmaal met een kerkgenootschap verbonden is. Dit oordeel is volgens de A-G zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, waardoor verwijzing zou moeten volgen. De A-G merkt nog op dat belanghebbende pas in haar conclusie van repliek de verenigbaarheid van de (maatstaf van de) 3-1-h-levering met het bepaalde in de Zesde richtlijn aan de orde stelt. De A-G ziet echter in het communautaire recht toch voldoende grond om in te gaan op belanghebbendes (te) laat ingediende grief. De A-G geeft aan dat in de zin van het bepaalde in de Zesde richtlijn in de maatstaf van heffing alle kosten zijn begrepen. Wat betreft de grond heeft te gelden dat deze, gelet op doel en strekking van de integratieheffing, zonder meer in de maatstaf moet worden opgenomen, ook als deze zonder berekening van omzetbelasting is aangeschaft. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen