Conclusie A-G Machielse 30 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4822
Frans van A. 1. Rechtsmacht NL strafrechter. 2. Verbindendheid art. 8 WOS. 3. Opzet op medeplichtigheid. 4. Deskundigheid getuige-deskundige. 5. Bewijsmiddelen (bwm) die mening, gissing, of conclusie bevatten? 6. Strafmotivering. 7. N-o-verklaring vorderingen bp. Ad 1. De opvatting dat de NL strafrechter alleen rechtsmacht heeft o.g.v. art. 1 (oud Wet Oorlogsmisdrijven (WOS), indien de feiten zijn begaan in het verband van een gewapend conflict waarbij NL betrokken is, is onjuist. T.a.v. de in art. 8 WOS strafbaar gestelde gedragingen komt aan de NL rechter ex art.3 (oud) WOS universele rechtsmacht toe (HR LJN BC7418). Ad 2. Art. 8 WOS is niet in strijd met het in art. 7 EVRM, art. 15 IVBPR en art. 1.1. Sr besloten liggende "bepaaldheidsgebod". De in art. 8 WOS geformuleerde norm maakt, mede in het licht van de aard van de materie, bestaande uit strafbaarstellingen van de ernstigste misdrijven die hun grond vinden in een – al dan niet in wetten en verdragen neergelegd – internationaal gemeenschappelijk rechtsbewustzijn, voldoende concreet duidelijk welke gedragingen strafbaar zijn gesteld en stelt de verdachte voldoende in staat zijn gedrag daarop af te stemmen, ook al maken de aard en de inhoud van deze bepaling een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk. Ad 3. ‘s Hofs oordeel dat bij verdachte het vereiste opzet aanwezig is geweest, is gelet op o.m. HR LJN BA7932, niet onjuist en is toereikend gemotiveerd. De opvatting dat in een geval als i.c. voor een bewezenverklaring ook bij de medeplichtige sprake moet zijn geweest van opzet op de hier bedoelde strafverzwarende omstandigheid, vindt in het recht geen steun. Ad 4. De aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal geldt ook vzv. bwm uit verklaringen van deskundigen bestaan en heeft in dat verband mede betrekking op de vraag of en in hoeverre iemand als deskundige dient te worden aangemerkt. De kennis op grond waarvan iemand als deskundige kan worden aangemerkt, welke de "wetenschap" vormt a.b.i. art. 343 en 344.1.4° Sv waarop de deskundige zijn oordeel stoelt, behoeft niet enkel door scholing te zijn verkregen, maar kan bijv. ook door ervaring zijn verworven. Ad 5. Het Hof heeft de bwm 4, 5 en 58 kennelijk als geschriften i.d.z.v. art. 344.1.5° Sv tot het bewijs gebezigd. T.a.v. dergelijke geschriften stelt de wet niet de eis dat hetgeen daarin is verwoord, f&o dient te betreffen die door de opsteller van het geschrift zelf zijn waargenomen of ondervonden. De wet stelt wel slechts de eis dat zij alleen kunnen gelden i.v.m. de inhoud van andere bwm, aan welke eis i.c. is voldaan. Het Hof heeft het als bwm 61 gebezigde pv kennelijk aangemerkt als geschrift i.d.z.v. art. 344.1.2° Sv. Vzv. een dergelijk pv de schriftelijke weerslag bevat van een t.o.v. de verbalisant afgelegde verklaring van een getuige, moet t.a.v. de inhoud van die verklaring zijn voldaan aan de in art. 342.1 Sv aan t.t.z. afgelegde getuigenverklaringen gestelde eis dat de verklaring f&o betreft welke door de getuige zelf zijn waargenomen of ondervonden (vgl. HR NJ 1955, 202). Ad 6. Art. 359.2 Sv schrijft niet voor dat de strafoplegging nader moet worden gemotiveerd enkel omdat deze afwijkt van de vordering van het OM. Dat neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het OM gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn (HR LJN AX5479). Ad 7. Gelet op de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de hier toepasselijke, inmiddels afgeschafte wettelijke regeling zich er niet tegen verzette dat de strafrechter een ingewikkelde vordering van een beledigde partij buiten behandeling liet, ook al lag het bedrag van de vordering onder de wettelijke limiet.
De uitspraak op rechtspraak.nl