Conclusie A-G Knigge 15 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC4199

OM-cassatie. Begrip “gebruik maken van het openbaar vervoer”. Dat begrip wordt in de WPV 2000 noch in het BPV 2000 nader gedefinieerd. Ook de wetsgeschiedenis bevat geen nadere toelichting. Ex art. 47.1.sub a BPV 2000 dient de reiziger zich van een vervoerbewijs te hebben voorzien voordat hij hetzij het vervoermiddel betreedt, hetzij een gedeelte van een station of halte betreedt waar hij blijkens duidelijke aanwijzingen van de vervoerder in het bezit moet zijn van een geldig vervoerbewijs. De reiziger die aan deze verplichting niet heeft voldaan, is o.g.v. art. 48.2 BPV 2000 een boete verschuldigd. Door betaling van die boete vervalt het recht tot strafvervolging t.z.v. overtreding van art. 70.1 WPV 2000, zoals in art. 47.7 BPV 2000 is bepaald. Aldus gaat BPV 2000 ervan uit dat de reiziger die art. 47.1 BPV 2000 niet naleeft strafbaar is o.g.v. art. 70.1 WPV 2000. Gelet op de nauwe samenhang tussen de WPV 2000 en het BPV 2000 en op doel en strekking van art. 70 WPV 2000 brengt een redelijke wetsuitleg mee dat voor de uitleg van de woorden “gebruik maken van het openbaar vervoer” a.b.i. art. 70.1 WPV 2000 aansluiting wordt gezocht bij het bepaalde in art. 47.1 BPV 2000 en deze woorden aldus worden uitgelegd dat hiervan ook sprake is zodra een reiziger het vervoermiddel betreedt. Dat leidt tot het oordeel dat ’s Hofs opvatting dat geen sprake was van “het gebruik maken van het openbaar vervoer” indien een reiziger zonder geldig vervoerbewijs in een voor vertrek gereedstaande trein is gestapt, blijk geeft van een te beperkte opvatting omtrent dit begrip en dus onjuist is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen