Conclusie A-G Machielse 14 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AZ0229

Geen dreigende schending van het specialiteitsbeginsel a.b.i. art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de rb in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering t.z.v. het in de stukken omschreven feit XII dient te leiden, nu a.) aan gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd t.z.v. het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat, die gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tul van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (HR NJ 1989, 304), en b.) de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel niet toekomt aan de uitleveringsrechter (HR NJ 2000, 367).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen