Conclusie A-G Fokkens 20 juni 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AW6731
Omzetting Engelse ‘conspiracy’-veroordeling De Nederlandse (exequatur-)rechter dient wat betreft de beantwoording van de vraag of de tenuitvoerlegging toelaatbaar is gelet op art. 28.3 WOTS o.b.v. de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn veroordeling ten grondslag heeft gelegd, na te gaan of en zo ja welke strafbare feiten deze naar Nederlands recht opleveren. Voorts dient ex art. 31 WOTS de Nederlandse rechter de straf of maatregel op te leggen welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld (HR LJN AT7122). Het oordeel van de rb dat de feiten die het Crown Court te Liverpool aan zijn veroordeling ten grondslag heeft gelegd, naar Nederlands recht overtreding van art. 2.A jo. art. 10 Opiumwet en art. 47 Sr opleveren, is niet zonder meer begrijpelijk, gezien de weergegeven passages uit het Engelse vonnis. Uit dat vonnis volgt immers dat de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld ‘conspiracy’ betreffen ex art. 1.1 Criminal Law Act 1977. De desbetreffende feiten leveren, als eenzelfde inbreuk naar Nederlands recht, op deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven alsmede overtreding van art. 10a Opiumwet. Nu op overtreding van deze strafbare feiten gelet op art. 57 Sr een strafmaximum van acht jaar is gesteld, is het middel, voorzover het daarover klaagt, eveneens terecht voorgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl