Conclusie A-G Machielse 18 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU8117

1. Inbrengen nadere stukken door AG in appèl en gebruik daarvan voor bewijs. 2. Vordering benadeelde partij niet van eenvoudige aard. Ad 1. Ex art. 414.1, tweede volzin, Sv is de AG bevoegd in appèl nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging, waaronder een deskundigenrapport, over te leggen. Geen rechtsregel verbiedt de AG daartoe een deskundige van zijn keuze te verzoeken te rapporteren. Het is vervolgens voorbehouden aan de feitenrechter van een dergelijk rapport voor het bewijs gebruik te maken, waarbij hij de wijze van totstandkoming van dat rapport, waaronder de selectie van het aan de deskundige voorgelegde materiaal, kan betrekken. Deze beslissing behoeft behoudens in bijzondere gevallen geen motivering. In ‘s hofs uitspraak ligt besloten dat van een dergelijk bijzonder geval geen sprake is. Dat oordeel is, ook in het licht van de door de verdediging tegen dat rapport geopperde – niet met enig tegenonderzoek onderbouwde – bezwaren onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over o.m. de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan is ‘s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen