Conclusie A-G Vellinga 29 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU4803

Uit de art. 41 en 136.5 (oud) RO en 5a (oud) en 6 (oud) Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen vloeit voort dat R’dam nevenzittingsplaats is van de rb Haarlem, dat de griffie van die rb voor haar in R’dam behandelde zaken mede is gevestigd in R’dam en dat een OvJ bij het parket R’dam tevens plaatsvervangend OvJ is bij het parket Haarlem. ’s Hofs oordeel dat de OvJ bij het parket R’dam als plaatsvervangend OvJ bij het parket Haarlem bevoegd was bij de griffie van de rb Haarlem, te dezen mede gevestigd te Rotterdam, tegen het vonnis i.c. beroep in te stellen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent art. 449.1 Sv. ’s Hofs oordeel dat waar in de appèlakte staat “de Meervoudige Kamer in deze rechtbank”, sprake is van een misslag en dat voor “deze rechtbank” de rb Haarlem moet worden gelezen, is niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen