Conclusie A-G Jörg 1 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT7587

Vervolging t.z.v. oplichting van vrouw die haar partner (X) onder meer een huwelijk in het vooruitzicht stelde. 1. Art. 14 EVRM noopt niet tot analoge toepassing van art. 338 jo. art. 316.1 Sr op een ander samenlevingsverband dan bedoeld in art. 90octies en 316.1 Sr. 2. Een beroep op art. 26 IVBPR faalt. Zo al gesproken zou kunnen worden van gelijke gevallen en een ongelijke behandeling daarvan, bestaat voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316.1 Sr jo. art. 90octies Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het OM, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend. 3. De gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan blijken dat, zoals is bewezenverklaard, verdachte aan X heeft laten weten dat zij huisvesting nodig had en (niet in voldoende mate) in haar levensonderhoud kon voorzien. Ook overigens schiet de bewijsvoering tekort. Uit de gebezigde bewijsmiddelen – die inhouden dat verdachte met X een langdurige en intieme relatie heeft gehad die dateert van ver voor de bewezenverklaarde periode – kan niet zonder meer volgen dat verdachte valselijk en listiglijk en bedrieglijk heeft gehandeld. Meer in het bijzonder bieden de gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende steun voor ’s hofs oordeel dat verdachte de omstandigheid dat zij met X wilde trouwen heeft voorgewend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen