Conclusie A-G Vellinga 31 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS2748

Het verschoningsrecht ex art. 217.3 Sv strekt tot bescherming van het tussen de in dat voorschrift bedoelde partners bestaande "family life" ex art. 8 EVRM. Door dit recht wel aan gehuwde en geregistreerde partners, maar niet aan andere partners toe te kennen, ook niet als die partners, zoals betrokkene en haar partner, duurzaam samenleven, maakt de wet onderscheid tussen de hier bedoelde verschillende vormen van samenleven. Zo al kan worden gesproken van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, bestaat voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de toekenning van een verschoningsrecht aan gehuwde en geregistreerde partners een uitzondering is op de wettelijke plicht om getuigenis af te leggen en deze het belang van de waarheidsvinding doet wijken voor de belangen van de bedoelde relaties, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen