Conclusie A-G Jörg 28 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD1791

Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon naar Verenigde Staten t.z.v. samenspanning om vervalste diergeneesmiddelen in handel te brengen teneinde bedrog te plegen. 1. Beroep op toekomstige schending van specialiteitsbeginsel door VS waardoor opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM zal krijgen, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-VS. 2. Dubbele strafbaarheid. Ad 1. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet heeft te oordelen over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem ex art. 30.2 UW aan minister van justitie uit te brengen advies. Dit kan uitzondering lijden indien blijkt dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem o.g.v. art. 6 EVRM toekomend recht dat o.g.v. art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit toepasselijk uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Uit het door raadsman aangevoerde kan dit echter niet blijken. Rb heeft verweer terecht verworpen. Ad 2. Gelet op overwegingen Rb t.a.v. dubbele strafbaarheid moet door Rb gegeven beslissing dat verzochte uitlevering toelaatbaar is, aldus worden verstaan dat die beslissing wat betreft samenspanning slechts betrekking heeft op deelnemen aan organisatie v.zv. oogmerk van organisatie was gericht op plegen van feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 225 Sr en dat verzochte uitlevering voor het overige ontoelaatbaar is (vgl. HR NJ 1997/70). Rb heeft evenwel verzuimd dat laatste oordeel in haar beslissing te vermelden. HR zal in zoverre doen wat Rb had behoren te doen. V.zv. is aangevoerd dat strafbaarheid van dit feit naar recht van verzoekende Staat wordt bepaald door zijn Wet voedingswaren en geneesmiddelen, zodat Rb niet had mogen treden in onderzoek naar strafbaarheid volgens art. 140 jo. 225 Sr, wordt miskend dat het o.g.v. art. 2.1 Uitleveringsverdrag Nederland-VS gaat om beoordeling van dubbele strafbaarheid van het materiële feit. Niet van belang is derhalve of volgens verzoekende Staat toepasselijke strafbepaling als zodanig een equivalent heeft in Nederlands recht. V.zv. is betoogd dat dit feit naar Nederlands recht slechts strafbaar is o.g.v. Diergeneesmiddelenwet en dat op overtreding van die wet in WED gestelde straf niet voldoet aan vereisten van art. 2 Uitleveringsverdrag Nederland-VS, stuit middel af op oordeel Rb dat feit naar Nederlands recht oplevert misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij art.140 jo. 225 Sr. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR verklaart uitlevering ontoelaatbaar t.a.v. deelnemen aan criminele organisatie, v.zv. oogmerk van organisatie op iets anders is gericht dan plegen van valsheid in geschrift. CAG: anders t.a.v. partiële ontoelaatbaarverklaring.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen